nieuws

Het blijft uitkijken met premiefinanciering

Archief

Met enige regelmaat wordt in de fiscale rechtspraak een geval aangetroffen dat handelt over de relaties tussen leningen en levensverzekeringen. vaak is er dan sprake van het aangaan van een lening waarmee de premie wordt betaald voor een levensverzekering. Het gerechtshof in Amsterdam heeft onlangs zich uitgesproken over een geval van premiefinanciering. De conclusie is: het blijft uitkijken!

door Alfred Lagendijk
De belanghebbende, een notaris, sloot op 4 augustus 1976 bij een levensverzekeringsmaatschappij een kapitaalverzekering af met een looptijd van elf jaar. Het verzekerde bedrag was f 1.324.861, uit te keren op 4 augustus 1987 of eerder bij overlijden. Als begunstigden waren aangewezen achtereenvolgens de belanghebbende zelf, zijn echtgenote, kinderen en erfgenamen.
De premie over het eerste jaar bedroeg f 371.951. De vervolgpremies bedroegen f 39.054,90. Het totaal van de verschuldigde premies was f 762.500. Ter financiering van deze premies sloot belanghebbende bij een ander bedrijfsonderdeel van hetzelfde verzekeringsconcern een lening tegen een rente van 10,79% per jaar. De verschuldigde rente bedroeg derhalve f 82.273,75 per jaar.
De rechten uit de verzekering werden bij de totstandkoming van de lening tot zekerheid van nakoming van rente- en aflossingsverplichting voortvloeiend uit de lening overgedragen. Na betaling van de eerste premie resteerde een bedrag van f 390.549. Dit bedrag werd bij akte van depot en zekerheidstelling van 4 augustus 1976 in depot gegeven bij de financier. De rechten die belanghebbende aan het depot ontleende werden overgedragen aan de financier. Over het depotbedrag werd jaarlijks bij vooruitbetaling een rente vergoed van 8,5%.
Door de financier werden jaarlijks de verschuldigde premies uit het depot aan de maatschappij betaald. Het depot was niet opeisbaar. Na drie jaar werd de leenrente gewijzigd in 11,1% per jaar en werd de depotrente gewijzigd in 8,68% per jaar.
Op 21 maart 1983 sloot belanghebbende een tweede lening bij dezelfde financier. Het bedrag van deze lening bedroeg f 100.000 per jaar, de rente 8,04%. De rente op deze lening werd op dezelfde data betaald als bij de eerste lening. De datum van de aflossing is eveneens dezelfde.
Tot zekerheid van aflossing van deze lening en eventuele andere in de toekomst te sluiten leningen werd de zekerheidsoverdrachten van de rechten uit de reeds afgesloten verzekering uitgebreid tot deze tweede lening. Alle overeenkomsten zijn op 4 augustus 1987 afgewikkeld. Na aflossing van de beide leningen ontving de belanghebbende uiteindelijk per saldo f 462.361.
In de jaren 1976 tot en met 1982 werden geen correcties aangebracht ten aanzien van de als persoonlijke verplichting in aftrek gebrachte rente. Bij de aangifte inkomstenbelasting over 1983 is voor het eerst de rente-aftrek van de leningen van 4 augustus 1976 en 21 maart 1983 geweigerd. Hetzelfde geldt voor de daaropvolgende belastingjaren tot en met 1987.
Gerechtshof
Het oordeel van het Hof valt in twee onderdelen uiteen. Het eerste betreft de lening van 4 augustus 1976. Het Hof oordeelt in de lijn met de bestaande rechtspraak dat de rentebetalingen niet zijn aan te merken als schulden in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting.
Ondanks het feit dat er sprake is van een reële geldlening naar burgerlijk recht, wordt er voor de beoordeling voor de inkomstenbelasting gekeken naar de onderlinge samenhang van de overeenkomsten. De lening diende slechts als rekengrootheid voor de verschuldigde premies en aan de lening en het depot komt geen reële betekenis toe.
Met andere woorden door de volledige koppeling van de data waarop betalingen en uitkeringen plaatsvinden, door de onderlinge afstemming van de hoogte van de bedragen én door het feit dat geen daadwerkelijke betaling van premies door belanghebbende plaatsvond, wordt de leningsovereenkomst als niet bestaand beschouwd voor het fiscale recht.
Overigens had de belanghebbende op de rechtszitting verklaard dat het fiscale voordeel bij het afsluiten van de lening een rol heeft gespeeld. Een beroep op fraus legis door de belastinginspecteur in plaats van interpretatie van de feiten, zoals in begin was toegepast, had hier ook nog doel kunnen treffen.
Daarentegen had belanghebbende zich weer beroepen op opgewekt vertrouwen, omdat de rente-aftrek in het verleden nooit geweigerd was. Het Hof oordeelt hierover echter dat het enkele volgen door de belastinginspecteur van de eerder gedane aangiften geen beroep op het opgewekt vertrouwen aan de kant van de belastingplichtige rechtvaardigt.
Tweede lening
De belastinginspecteur had eveneens de rente-aftrek op de tweede lening geweigerd. Het hof meent echter dat uit de feiten niet blijkt dat op 4 augustus 1976, de datum van het afsluiten van de eerste overeenkomst, het voornemen bestond om de tweede lening af te sluiten. Bovendien kon de belanghebbende vrij over het geleende bedrag beschikken.
Belastingverijdeling is derhalve niet een motief van doorslaggevende aard geweest voor het afsluiten van de lening. Derhalve werd op de tweede lening de aftrek van rente als persoonlijke verplichting wel toegestaan.
Beschouwing
Op zich is deze uitspraak niet bijzonder verrassend. De casus komt op de essentiële punten overeen met de casus in het arrest van de Hoge Raad van 4 februari 1987, nr. 24335.
In dit arrest is vastgesteld dat sprake is van een polisbeleningsconstructie. De lening en de daarop betaalde rente bestaan fiscaal niet. De feitelijke betalingen vonden binnen concernverband van de verzekeraar plaats. Overigens liepen de betalingen en de begin- en einddata van de lening en de verzekering nagenoeg parallel. In een dergelijke situatie wordt de lening beschouwd als niet bestaand.
Dit geldt uiteraard niet voor de tweede lening. De verzekering werd op dat moment reeds in zijn geheel gefinancierd, waardoor er geen aanwijsbaar verband bestond tussen lening en verzekering.
Vaak wordt in mijn adviespraktijk de vraag gesteld of er algemene richtlijnen zijn, waaraan leningen en levensverzekeringen dienen te voldoen om voor de fiscus aanvaardbaar te zijn. Het antwoord is simpel: nee.
De belastingdienst heeft de bevoegdheid om elke situatie individueel te toetsen. Daarbij zal het gros waarschijnlijk de toets wel kunnen doorstaan. Immers in het financieel verkeer is het niet ongebruikelijk dat financieringen en verzekeringen naast elkaar gesloten worden. Het behoeft niet op problemen te stuiten wanneer iemand bepaalde levensverzekeringen afsluit en daarnaast bedrijfskredieten, persoonlijke leningen of hypothecaire leningen aangaat voor de financiering van een bepaald object.
Zodra echter een lening wordt aangegaan om direct of indirect een koopsom of premie voor een levensverzekering te betalen, dan kan de belastingdienst de situatie onderzoeken. Daarbij zijn er enkele belangrijke toetspunten. De belangrijkste vragen zijn of in de betreffende situatie beoogd was een structureel of incidenteel fiscaal voordeel te halen, of dat er andere, wellicht belangrijker doelstellingen zijn voor het aangaan van de verzekering dan het behalen van fiscaal voordeel.
Is bijvoorbeeld het rendement op de levensverzekering hoger dan te betalen rente of wordt met de verzekering een nabestaandenvoorziening, oudedagsvoorziening of invaliditeitsvoorziening beoogd? Van belang is ook of de verzekering belaste of onbelaste opbrengsten genereert. Naar mijn mening toetst de belastingdienst de laatste tijd vaker het verband tussen leningen en verzekeringen. Blijft u alert en laat u niet door te realiseren verkoopcijfers het hoofd op hol brengen.
Mr. Alfred S. Lagendijk is werkzaam bij de Fiscale en Juridische Sectie Pensioenen & Verzekeringen van Coopers & Lybrand Amsterdam.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.