nieuws

Het belang van het Openbaar register van assurantie-tussenpersonen

Archief

Het is verboden als assurantie-tussenpersoon op te treden zonder te zijn ingeschreven in het register van tussenpersonen dat door de Sociaal-Economische Raad wordt gehouden. Dat is de strekking van art. 3, eerste lid van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf (Wabb). In het derde lid van art. 3 is vastgelegd, dat de Raad op verzoek meedeelt of een bepaald persoon in het register is ingeschreven en in het vierde lid wordt aan de Raad de opdracht gegeven om zo spoedig mogelijk na afloop van elk kalenderjaar de namen bekend te maken van de tussenpersonen die op 31 december van dat kalenderjaar in het register staan ingeschreven. Dit laatste wordt gedaan in de vorm van de uitgave van het Openbaar register van tussenpersonen in boekvorm en op diskettes.

door mr H.J. de Meij
Men zou kunnen veronderstellen dat de wetgever aan verzekeraars en aan tussenpersonen die als agent-principaal met tussenpersonen contacten onderhouden de verplichting heeft opgelegd om bij het aangaan van een relatie en vervolgens stelselmatig, het register te raadplegen en/of daar uittreksels uit te verlangen.
Die weg is echter niet ingeslagen. In art. 10, eerste lid Wabb is het volgende bepaald. De verzekeraar die door een tussenpersoon wordt benaderd met voorstellen tot het sluiten van verzekeringen mag niet tot behandeling van die voorstellen overgaan zolang hij niet in het bezit is van een schriftelijke verklaring van die tussenpersoon dat deze op het moment van overlegging van de verklaring in het register is ingeschreven. De verklaring moet tevens de datum van inschrijving, het nummer en het vakbekwaamheidsniveau weergeven. Krachtens artikel 18 geldt deze bepaling ook voor de agent-principaal.
Rechtsvermoeden van inschrijving
Op basis van de wettekst zou bij elke verzekering die een tussenpersoon wenst onder te brengen de verklaring met betrekking tot de inschrijving verlangd kunnen worden.
Zo werkt de praktijk echter niet. Slechts bij de aanvang van de samenwerking tussen een verzekeraar en een tussenpersoon wordt de schriftelijke verklaring verlangd. Zo is het nu en zo was het ook onder de voorganger van de Wabb, de Wet Assurantiebemiddeling, die een vergelijkbare voorschrift kende in art.13, tweede en derde lid. De Wet Assurantiebemiddeling verduidelijkt het doel van de verklaringen nog in art. 13, vierde lid: ‘Zij scheppen een rechtsvermoeden van inschrijving behoudens bewijs van het tegendeel’. Bij de parlementaire behandeling is destijds nog voorgesteld art. 13, vierde lid te wijzigen, zodat de bedoelde verklaringen zouden gelden voor ‘derden te goeden trouw, als bewijs van inschrijving’. Dit voorstel haalde het niet, omdat de bepaling slechts beoogde: “bescherming te verlenen aan verzekeraars en die tussenpersonen die met sub-agenten werken en zodoende een vlotte afwikkeling van zaken bevorderen. Aangezien het hier gaat om een verbod van het aanvaarden door verzekeraars en tussenpersonen van voorstellen van niet gekwalificeerde tussenpersonen, zou het niet juist zijn in de redactie van artikel 4 derden te betrekken”. In het debat over het huidige art. 10 is alleen de vraag aan de orde gesteld of deze bepaling wel in Hoofdstuk II, paragraaf 2 (de beloning en rechtspositie van de tussenpersoon) thuishoort. Daarop werd geantwoord dat het contact, bedoeld in art. 10, in elk geval de basis vormt voor de rechtspositie van de tussenpersoon. De vraag die ik nu aan de orde wil stellen, is: hoe (on)verstandig het is om geruime tijd op basis van een ooit afgegeven verklaring van inschrijving het rechtsvermoeden te blijven koesten dat betrokkene is ingeschreven.
Jaarlijks talrijke mutaties
In het register van tussenpersonen worden door de Sociaal-Economische Raad jaarlijks vele mutaties aangebracht. Vele daarvan hebben betrekking op de personele bezetting van de feitelijke leiding en hebben, bij gelijkblijvend vakbekwaamheidsniveau, geen invloed op de verleende registerinschrijving. Er worden echter ook jaarlijks zo’n 1.800 inschrijvingen doorgehaald en een min of meer gelijk aantal nieuwe inschrijvingen verleend.
Er is een zekere samenhang tussen deze cijfers. Veel nieuwe inschrijvingen zijn het gevolg van de omzetting van de rechtsvorm waarin het bedrijf werd uitgeoefend. Gelijktijdig met de inschrijving op naam van de nieuwe rechtsvorm wordt dan de oude registerinschrijving doorgehaald. Het is voor verzekeraars van belang hier kennis van te dragen. Er is immers sprake van een portefeuille-overdracht. Voorts kan de toetreding of uittreding van kapitaalverschaffers en beleidsbepalers van belang zijn voor de relatie tussenpersoon-verzekeraar.
Verzwijging doorhaling
Tot de groep ‘doorgehaalden’ kunnen ook tussenpersonen behoren die de doorhaling van hun registerinschrijving verzwijgen. Er is bijvoorbeeld nog geen vakbekwaam opvolger voor de feitelijke leiding. In dit verband kan ook gedacht worden aan de voormalige ingeschrevenen in register-C. Natuurlijk mag geen enkele verzekeraar nu nog actief zaken doen met een tussenpersoon die destijds verklaard heeft te zijn ingeschreven in het C-register.
Zaken doen met een tussenpersoon die niet een verklaring ex art. 10 Wabb heeft afgegeven, is verboden. Schending van deze bepaling is een economisch delict. Doet men zaken met een tussenpersoon die wel ingeschreven was maar inmiddels is doorgehaald, dan kan betrokkene krachtens art. 13, derde lid van de Wabb uitsluitend aanspraken op provisie geldend maken ter zake van verzekeringen die op het tijdstip van de doorhaling tot zijn portefeuille behoren, of die daaruit zijn overgeboekt overeenkomstig het tweede lid van art. 17 (de intermediair-wijziging). Krachtens art. 16, eerste lid Wabb mag over wijzigingen in bestaande verzekeringen geen provisie worden betaald en uiteraard ook niet over nieuw afgesloten verzekeringen. Vooropgesteld dient te worden dat de tussenpersoon die van zijn doorhaling kennis draagt – een doorhaling wordt altijd per aangetekende brief aangekondigd – niet meer te goeder trouw handelt jegens de verzekeraar.
Steeds minder steekhoudend
De verzekeraar zal zich bij een beschuldiging van schending van art. 16 Wabb in dit verband op het rechtsvermoeden van inschrijving dat volgt uit de verklaring ex art. 10 die in zijn bezit is kunnen beroepen.
Naarmate meer tijd is verstreken tussen de doorhaling en de ‘ontdekking’ van dat feit zal dat argument toch minder steekhoudend zijn. De doorhaling van de registerinschrijving is dan immers door de SER gepubliceerd en de naam van de betrokkene komt niet meer voor in de laatste uitgave(n) van het Openbaar register van tussenpersonen.
Civielrechtelijke kanten
Aan de samenwerking met niet meer ingeschreven tussenpersonen zitten ook civielrechtelijke kanten. De ten onrechte betaalde provisies kunnen als onverschuldigd betaald teruggevorderd worden: te rekenen vanaf het tijdstip waarop de tussenpersoon zelf kennis droeg of geacht wordt te dragen van het feit van de doorhaling van zijn inschrijving. Dat zal echter in de praktijk ongetwijfeld niet gemakkelijk blijken te zijn.
Indien de verzekeraar tot de ontdekking komt dat een voor hem werkzame tussenpersoon niet meer is ingeschreven, kan hij op grond van art. 14, vierde lid van de Wabb de aanspraak op provisie afkopen. Een beroep op het ‘rechtsvermoeden van inschrijving’ boet ook aan waarde in, als naar voren komt dat de tussenpersoon op enig moment de toevoeging ‘BV’ of ‘VOF’ op zijn briefpapier is gaan vermelden terwijl de verklaring ex art. 10 waarover de verzekeraar beschikt is afgegeven namens een eenmanszaak. Van de verzekeraar mag een hoge mate van alertheid op dit punt verlangd worden en hij behoort in deze gevallen de tussenpersoon om opheldering te vragen.
Professionaliteit
Tot dusverre is het rechtsvermoeden van inschrijving uitsluitend besproken in het licht van de relatie verzekeraar-tussenpersoon en is verwezen naar de strafsancties welke zijn verbonden aan schending van de artikelen 3, 10 en 16 van de Wabb.
Ook in de relatie tot de verzekeringnemer is het voor de verzekeraar van belang zich ervan overtuigd te houden dat de tussenpersoon met wie hij zaken doet is ingeschreven. Uit inmiddels terzake gevormde jurisprudentie volgt, dat indien de verzekeringnemer zich bij de totstandkoming van de verzekering heeft laten bijstaan door een tussenpersoon, het mogelijk is dat de rechter bij vaststelling van de betekenis die de verzekeringnemer redelijkerwijs aan een bepaalde term of bepaling in de polisvoorwaarden mag hechten, rekening houdt met de vakkennis van die tussenpersoon. Deze ontwikkeling vormt in wezen de erkenning van de professionaliteit van het intermediair. De verzekeringnemer die tot de ontdekking komt dat de tussenpersoon tot wie hij zich wendde niet (meer) was ingeschreven op het tijdstip dat hij een verzekering liet sluiten, kan zich mijns inziens terecht op het standpunt stellen dat die tussenpersoon dan ook niet voldeed aan de normen ter waarborging van een vakkundige uitoefening van het assurantiebemiddelingsbedrijf. Anders gezegd, de consument/verzekeringnemer kan zich in dat geval tegenover de verzekeraar op zijn ondeskundigheid beroepen.
Periodieke toetsing bestand
In het licht van alle denkbare perikelen welke zich kunnen voordoen als men te maken krijgt met een (sub-)agent die niet (meer) ingeschreven blijkt te zijn, moet het duidelijk zijn dat de verzekeraars en agenten-principaal er verstandig aan doen het rechtsvermoeden van inschrijving van een tussenpersoon feitelijk niet langer te laten duren dan een half jaar; men kan immers halfjaarlijks het agentenbestand vergelijken met de gegevens die de SER in het kader van de uitgifte van het Openbaar register van tussenpersonen publiceert. De editie 1996 is dezer dagen verschenen. Mr H.J. de Meij is hoofd van de Afdeling Vestigingswetten van de Sociaal-Economische Raad ********************* Kadertekst: De rubriek ‘Open Forum’ staat open voor eenieder die een visie heeft op een kwestie die voor de ontwikkeling van het verzekeringsbedrijf van belang kan zijn. De redactie behoudt zich evenwel het recht voor, een aangeboden bijdrage te weigeren.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.