nieuws

Grondige bezinning nodig op omvang terrorismedekking

Archief

Na de terroristische aanslagen in de Verenigde Staten is binnen de verzekeringsmarkt de vraag gerezen naar de omvang van de molestuitsluiting in Nederlandse polissen. Als in ons land vergelijkbare aanslagen zouden worden gepleegd, in hoeverre zou de daardoor ontstane schade dan op grond van de molestclausules van de verzekeringsdekking zijn uitgesloten?

door Hans Londonck Sluijk en Jan Willem Hoekzema
De definities van molest zijn door het Verbond van Verzekeraars op 2 november 1981 bij de griffie van de Arrondissementsrechtbank te Den Haag gedeponeerd. Het betreft veertien verschillende definities. De nummers 1 tot en met 6 worden binnen de verzekeringsmarkt als ‘groot molest’ aangemerkt. De overige omschrijvingen, genummerd 7 tot en met 14, worden aangeduid met de term ‘klein molest’. Binnen de Nederlandse markt is het gebruikelijk slechts de definities 1 tot en met 6 (groot molest) als uitsluiting te hanteren. Dit betekent dat alle evenementen die als ‘klein molest’ kunnen worden aangemerkt, in beginsel zijn gedekt.
Groot molest
Aangenomen dat de vraag zich zou voordoen of schade als gevolg van vergelijkbare aanslagen als in de Verenigde Staten voor vergoeding in aanmerking komt, moet worden bezien of een dergelijke schade valt onder één van de molestdefinities. Hiervoor zal in de eerste plaats de letterlijke tekst van de ‘groot molest’-uitsluitingen moeten worden geanalyseerd.
Gesteld zou kunnen worden dat de betreffende schade het gevolg is van min of meer georganiseerde gewelddadige handelingen die zich op verschillende plaatsen binnen een staat voordoen. In die zin zou de schade binnen de definitie vallen van de omschrijving ‘binnenlandse onlusten’ (definitie 4). Op die grond zou de schade van dekking kunnen zijn uitgesloten. Daarnaast zou aangevoerd kunnen worden dat de schade het gevolg is van een gewapend conflict. Met de inval in Afghanistan – en het feit dat artikel 5 van het NAVO-verdrag van toepassing is verklaard – is inmiddels immers sprake van een geval waarin ‘staten of andere georganiseerde partijen elkaar, of althans de een de ander, gebruikmakend van militaire machtsmiddelen bestrijden’.
Naast een analyse van de letterlijke tekst van de afzonderlijke molestbegrippen is het zinvol de verschillende definities in onderlinge samenhang te bezien. Hiervan uitgaande kan worden vastgesteld dat de groot-molestdefinities in feite gradaties vormen van internationale of nationale conflicten die zich tegen het (openbare) gezag richten. Dit betekent dat met de uitsluiting voor ‘groot molest’ gekozen is voor het in brede zin uitsluiten van schade als gevolg van internationale of nationale conflictsituaties waarbij – samengevat – sprake is van min of meer georganiseerd gebruik van geweld. In dit kader zijn de gebeurtenissen in de Verenigde Staten het beste te vatten onder hetgeen met ‘gewapend (internationaal) conflict’ wordt bedoeld. Immers, sprake is van een situatie waarin (min of meer) georganiseerde partijen elkaar (of de een de ander) met machtsmiddelen bestrijden.
Terrorisme
Bij de interpretatie van de verschillende molestbegrippen is van belang dat definitie 7 het kopje ‘Terrorisme’ draagt. Volgens deze definitie wordt onder terrorisme verstaan ‘gewelddadige handelingen begaan door enige organisatie teneinde indruk te maken op de bevolking en een klimaat van onzekerheid te scheppen’. Aangezien de verzekeringsmarkt terrorisme in de zin van definitie 7 niet uitsluit, maar veeleer als gedekt ‘klein molest’ beschouwd, lijkt het problematisch te betogen dat desalniettemin terroristische aanslagen zoals deze in de Verenigde Staten hebben plaatsgevonden onder de definitie ‘gewapend conflict’ (of wellicht ‘binnenlandse onlusten’) zijn te vatten.
Op grond van het voorgaande mag duidelijk zijn dat de uitkomst van een eventuele discussie over de vraag of aanslagen zoals deze in de Verenigde Staten zijn gepleegd naar Nederlands recht en op basis van de Nederlandse (standaard) molestuitsluitingen verzekerd zouden zijn, niet zonder meer te voorspellen valt. Duidelijk is echter wel dat naar de strekking van de molestuitsluitingen schade zoals in de Verenigde Staten is ontstaan, uitgesloten lijkt te moeten worden geacht. Anderzijds lijkt doordat verzekeraars slechts de eerste zes definities van de molestclausule als uitsluiting hanteren ‘terrorisme’ wel degelijk als ‘klein molest’ gedekt te zijn.
Toezichtregelgeving
Gelet op een vooralsnog onzekere uitkomst van een discussie over de inhoud en strekking van de in Nederland gebruikelijke molestuitsluiting, lijkt het zinvol de geldende toezichtregelgeving in de discussie te betrekken.
Van belang is met name artikel 64 lid 2 van de Wet Toezicht Verzekeringsbedrijf 1993. In dit artikel is bepaald dat een schadeverzekeraar geen schade mag verzekeren die is veroorzaakt door of ontstaan uit gewapend conflict, burgeroorlog, opstand, binnenlandse onlusten, oproer en muiterij. De strekking van deze bepaling is (blijkens de parlementaire totstandkoming daarvan) dat oorlogsmolest- of daarmee vergelijkbare risico’s niet door een Nederlandse verzekeraar mogen worden gedekt, gelet op het mogelijk catastrofale karakter van deze risico’s. De bepaling moet worden gezien als een verbod op het dekking geven voor dergelijke risico’s.
Derhalve brengt artikel 64 lid 2 Wtv mee dat, los van de feitelijke inrichting van de molestclausules en de letterlijke tekst daarvan, een verzekeringsovereenkomst naar zijn strekking nooit tot gevolg mag hebben dat onverantwoord groot te achten risico’s onder de dekking zouden kunnen vallen. Zou de schade als gevolg van aanslagen zoals in de Verenigde Staten hebben plaatsgevonden in beginsel voor dekking in aanmerking komen, dan zouden de betreffende verzekeringsovereenkomsten in zoverre nietig kunnen zijn, gelet op het in artikel 64 lid 2 Wet Toezicht Verzekeringsbedrijf 1993 opgenomen verbod.
Grondige bezinning
Het voorgaande maakt duidelijk dat binnen de verzekeringsmarkt een grondige bezinning nodig is op de omvang van de dekking voor molestrisico’s. Het Verbond van Verzekeraars is al bezig een inventarisatie te maken van de mogelijkheden molestrisico’s in de toekomst te kunnen dekken (zie AM 20, pag. 3). Het verdient ons inziens aanbeveling daarbij in ieder geval het genoemde artikel uit de Wtv te betrekken.
Los daarvan is het de vraag in hoeverre voor de Pensioen- en Verzekeringskamer (PVK) geen rol zou zijn weggelegd bij de discussie over de reikwijdte van dekkingen voor molestrisico’s. De PVK heeft als nationale toezichthouder immers te waken over de continuïteit binnen de verzekeringsbedrijfstak en dient er op toe te zien dat verzekeraars geen verzekeringsovereenkomsten sluiten die in strijd zijn met het bepaalde in de Wtv. Uit dien hoofde lijkt het niet onwenselijk als de PVK zich zou uitspreken over de wijze waarop in de toekomst met molestrisico’s zal dienen te worden omgegaan. Niet in de laatste plaats zou hiermee kunnen worden voorkomen dat achteraf door de rechter uitspraken dienen te worden gedaan over de vraag of te verlenen dekking voor catastroferisico’s in gevallen als zich in de Verenigde Staten hebben voorgedaan, al dan niet tot nietigheid van de betreffende verzekeringsovereenkomsten leidt.
Hans Londonck Sluijk en Jan Willem Hoekzema zijn advocaat bij Houthoff Buruma te Amsterdam.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.