nieuws

Gestichte brand loopt uit de hand; slaagt beroep op opzetuitsluiting?

Archief

Iemand sticht brand in een loods om via het innen van de verzekeringspenningen uit de financiële problemen te komen. Die loods bevatte, in een afgescheiden gedeelte, ook goederen van een ander. Deze goederen gingen eveneens in vlammen op. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de brandstichter wilde geen dekking bieden, waarna de man zich tot de Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf wendde.

De brand vond plaats in een bloembollenloods, die eigendom van klagers moeder was en die hij van haar huurde. Alle in de loods aanwezige goederen hebben schade opgelopen. Dit betreft niet alleen goederen van de klager, maar ook goederen van een derde, die in een afzonderlijk gedeelte van de loods een eigen onderneming had.
Klager kreeg een claim aan zijn broek van de inventarisverzekeraar van genoemde derde, aan wie voor bijna f 70.000 schade aan inventaris en goederen en ook bedrijfsschade was vergoed.
Klager heeft in zijn hoedanigheid van bloemen/plantenkweker een aansprakelijkheidsverzekering voor agrariërs gesloten. In die polis is onder meer uitgesloten schade die voor de verzekerde “het beoogde of zekere gevolg is van zijn handelen of nalaten”. Voorts bevat de polis een vervaltermijn waarbinnen de verzekerde na een schade een beroep op de polis moet doen.
Direct op de hoogte
De aansprakelijkheidsverzekeraar weigerde de claim in behandeling te nemen, omdat de vervaltermijn was overschreden en vanwege de opzetuitsluiting.
Volgens klager kan de verzekeraar zich niet op de vervaltermijn beroepen, omdat deze in wezen van meet af aan van het voorval op de hoogte was (de opstalverzekeraar van klagers moeder en de aansprakelijkheidsverzekeraar van klager zijn één en dezelfde maatschappij). Voorts heeft de advocaat van klager zich, naar aanleiding van de aansprakelijkstelling van de inventarisverzekeraar, rechtstreeks tot de aansprakelijkheidsverzekeraar gewend.
In zijn verweer zegt verzekeraar geen beroep te doen op het verstrijken van de vervaltermijn.
Toerekeningsvatbaar?
Uit het strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat klager, door financiële nood gedreven, zijn eigendommen in brand heeft gestoken. In een psychologische/psychiatrische rapportage is vastgesteld dat hij ten tijde van het plegen van het delict sterk verminderd toerekeningsvatbaar was. Daarom kan volgens (de raadsman van) klager de betrokken verzekeraar geen beroep op de opzet-uitsluiting doen, zeker niet omdat “in het geheel niet gebleken is dat het klager ten tijde van de brandstichting voor ogen heeft gestaan dat bij de brand niet alleen zijn eigen zaken door het vuur zouden worden verteerd, doch tevens de eigendommen van de andere gebruiker van het pand, welke eigendommen lagen opgeslagen in een door een bakstenen muur van klagers bedrijfsruimte afgescheiden gedeelte van de loods”.
Plan bestond geruime tijd
In zijn verweer voert de verzekeraar aan, dat klager een volledige bekentenis heeft afgelegd. Uit het onderzoek is gebleken dat klager geruime tijd heeft rondgelopen met het plan zijn bedrijf in brand te steken om daarna de schadepenningen te innen. Ongeveer een week voor de brand is hij begonnen her en der in de loods petroleum te sprenkelen. Op de dag van de brand heeft klager opnieuw petroleum in de loods gesprenkeld en daar twee jerrycans met petroleum geplaatst. Na nog diverse andere voorbereidende handelingen heeft hij ’s avonds de boel in brand gestoken. Even later heeft klager zijn woning verlaten om bij iemand op bezoek te gaan, waarbij hij achterin de loods een rode vuurgloed heeft waargenomen.
De omstandigheid dat de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat rekening heeft gehouden met verminderde toerekeningsvatbaarheid, betekent volgens verzekeraar niet dat klager niet willens en wetens de brand heeft gesticht. “Van een bijzondere geestesgesteldheid ten tijde van de brandstichting die klager het inzicht in de gevolgen van zijn gedraging heeft ontnomen, is niet gebleken.”
‘Onzorgvuldige lezing’
In het commentaar op het verweer, stelt klager dat hij niet heeft beoogd dat de hele loods zou afbranden, laat staan dat hij heeft beoogd schade aan in de loods aanwezige eigendommen van een derde toe te brengen. Zijn opzet was slechts gericht op het vlamvatten van zijn eigen zaken. Zijn moeder, aan wie de loods in eigendom toebehoorde, heeft hij nimmer (financieel) willen treffen. Dit geldt nog meer voor de medegebruiker van de loods.
Namens klager wordt verder nog als commentaar aangevoerd, dat de stelling van verzekeraar dat klager is veroordeeld ter zake van het in brand steken van de loods berust op een onzorgvuldige lezing van het strafvonnis: slechts is bewezen verklaard dat klager opzettelijk brand heeft gesticht in de loods, hetgeen een wezenlijk verschil is.
Beoordeling
De Raad van Toezicht is van oordeel dat niet is vastgesteld dat klager tevens beoogde ook zaken die aan een derde toebehoorden, te vernietigen. Evenmin is komen vast te staan dat tenietgaan van de eigendommen van een derde het zekere gevolg was van zijn handelen.
“Uit de aangevoerde feiten blijkt dat de bedoelde zaken van de klager toebehorende zaken waren gescheiden door een muur. Niet is aangevoerd dat deze muur, voor klager kenbaar, zo weinig tegen brand was bestand, dat hij zich ervan bewust is geweest dat de door hem gestichte brand tot zeker gevolg zou hebben dat ook de aan de derde toebehorende zaken zouden verbranden.” De Raad vindt dat het standpunt van de verzekeraar “in redelijkheid niet verdedigbaar is” en verklaart de klacht gegrond. Uitspraak nr. I – 98/19

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.