nieuws

Gert Leuven: Tillinghast als enige ongeschonden uit affaire Vie

Archief

d’Or

Afgelopen woensdag liet de Stichting Vie d’Or weten, dat zij geen stappen zal ondernemen tegen het actuarieel bureau Tillinghast noch tegen de bij het bureau behorende Gert Leuven als certificerend actuaris van Vie d’Or in het bijzonder. Uit onderzoek van KPMG blijkt namelijk dat de actuaris geen blaam treft voor de ondergang van de verzekeraar. Een mogelijke claim van de stichting aan het adres van Tillinghast is hiermee van tafel.
Bij Tillinghast haalt men sinds het uitkomen van het KPMG-rapport opgelucht adem. Minder vrolijk is men bij het actuarieel bureau Heijnis en Koelman, waarvan C. Kraak van 1988 tot eind 1991 als certificerend actuaris bij Vie d’Or optrad. Tegen hem zal de Stichting Vie d’Or namelijk een klacht indienen bij het college van rechtspraak van het Actuarieel Genootschap. Over de aanleiding voor deze klacht doet de Stichting heel opmerkelijk geen nadere mededelingen, behalve dat de klacht voortvloeit uit het onderzoek van KPMG. Waarschijnlijk heeft men geleerd van de rel die uitbrak toen er over de Vie d’Or-accountant Deloitte & Touche werd gesteld dat daar een fors deel van de schade zou kunnen worden verhaald.
Extra aangenaam
Gert Leuven is bijzonder ingenomen met de conclusie van KPMG over het functioneren van Tillinghast. In een vraaggesprek met AM over het onderzoek van KPMG, zegt hij: “Aangezien KPMG als inzet heeft zoveel mogelijk feiten voor aansprakelijkstellingen neer te leggen, is het extra aangenaam om te horen dat zij concludeert dat we onze zaken goed voor elkaar hadden. Daarmee zijn wij, als ik me niet vergis, de enige partij die werkelijk ongeschonden uit de Vie d’Or-affaire tevoorschijn komt.”
De conclusie van KPMG, waaraan Leuven refereert luidt letterlijk:
Op grond van ons onderzoek hebben wij geconstateerd dat Tillinghast bij de opdrachtaanvaarding zorgvuldig te werk is gegaan. De bij Vie d’Or bestaande problematiek is veelvuldig door Tillinghast in niet mis te verstane bewoordingen schriftelijk bij de Raad van Commissarissen en de directie alsook bij de Verzekeringskamer aan de orde gesteld. Wij hebben voorts geen feiten geconstateerd die duiden op een niet naar behoren functioneren van Tillinghast.
Leuven zal in z’n functie van verantwoordelijke voor het Noord-Europese bedrijf van Tillinghast overigens weinig aan deze KPMG-conclusies hebben. Na een sabbatical year, heeft hij onlangs besloten het actuarieel bedrijf te verlaten. “M’n bioritme zegt dat ik aan iets nieuws toe ben”. Over een mogelijke nieuwe functie wil hij nog niets zeggen, behalve dat deze in ieder geval in de verzekeringsbedrijfstak is gelegen. “Ik kan niets anders”, zegt hij grappend.
Problemen
Hoewel hij gebonden is door zijn geheimhoudingsplicht als actuaris ten aanzien van huidige klanten en oud-klanten zoals Vie d’Or, wil Leuven wel een algemene toelichting geven op wat er in de ‘Tillinghast-tijd’ bij de omgevallen verzekeraar plaatsvond. Niets wil hij daarentegen kwijt over de brieven die hij ten aanzien van Vie d’Or aan de Verzekeringskamer schreef.
Bij de overdracht van Heijnis en Koelman aan Tillinghast (“wat volledig volgens de regels ging”), bleek volgens hem dat de problemen zich toespitsten op het feit dat Vie d’Or een klein maar snel groeiend en daardoor kapitaal-intensief bedrijf was. Er bestond zodoende zowel een administratief als een financieringsprobleem.
Uit de openbare actuariële verslagen bij de Verzekeringskamer blijkt dat Tillinghast dit laatste punt niet onder stoelen of banken stak: In het kader van de solvabiliteitspositie op de langere termijn wordt gezocht naar investeerders; er is een opdracht terzake gegeven aan een merchant-bank. Een jaar later schrijft Leuven in zijn verslag: Gelet op het geheel van de waarderingsgrondslagen, de winstcapaciteit van de bestaande portefeuille en het beperkte volume aan nieuw verkochte verzekeringen is naar ons oordeel de solvabiliteit na 1993 zonder verdere kapitaalsinjecties niet gewaarborgd.
Niet geaccepteerd
“Toen wij er eind 1991 binnenkwamen, bevond de maatschappij zich in een buitengewoon moeilijke positie. Zo kwam de Verzekeringskamer vlak voor de Kerst van 1991 met de mededeling dat de jaarrekening over 1990 niet geaccepteerd kon worden. ‘Apeldoorn’ was van mening dat er niet genoeg geld in het bedrijf aanwezig was en eiste daarom dat er een bedrag van ongeveer twintig miljoen bij zou komen. Bovendien had Vie d’Or van de Verzekeringskamer een aanwijzing gehad: de administratie moest zo snel mogelijk op orde gebracht worden.”
“Ik kan u zeggen, dat zijn lastige tijden voor de actuaris en de accountant. Niettemin vormde Vie d’Or voor ons beroepsmatig natuurlijk een interessant probleem. Bovendien vind ik dat je niet bij elk stormpje moet gaan liggen. Wel zorgden we dat we goed op onze tellen pasten.”
Ook bracht Leuven in verband met deze problemen vaker dan normaal een bezoek aan vergaderingen van de Raad van Commissarissen. Tijdens een van deze bezoeken heeft hij de Raad bewijzen aangedragen over het feit dat Vie d’Or in een aantal gevallen provisies betaalde die hoger waren dan in de tarieven van de bijbehorende produkten was ingecalculeerd. Desgevraagd zegt Leuven dat het tot z’n taak behoort om daar een opmerking over te maken. Opmerkelijk was wel dat de directie telkens had ontkend dat er van zo’n situatie sprake was.
Niet lang daarna zou directielid G. van Santen het verzoek hebben gekregen om op te stappen (waarna hij overigens eenvoudigweg als ‘adviseur’ werd aangesteld – red.).
Over het eindstadium van Vie d’Or zegt Leuven dat hij het van weinig zorgvuldigheid vond getuigen dat er zomaar in de publiciteit werd gebracht dat de voorzieningen te laag waren. “Het lijkt mij beter dat je, voordat je zoiets roept, eerst overlegt met degene die daar z’n handtekening voor gezet heeft”.
Hij ontkent niet dat er het nodige mis was bij Vie d’Or. “Er gebeurden dingen die absoluut niet in de haak waren, hoewel ze volgens mij niet zo extreem waren als Lieuwma het deed voorkomen”.
Kasrondje
Als voorbeeld noemt hij de zaak van het ‘kasrondje’ waarbij Maes als directeur van Vie d’Or een betaling van / 2,6 mln deed aan een bevriende tussenpersoon, die het vervolgens aan Maes privé teruggaf, zodat deze het geld dat hij in een eerder stadium van Vie d’Or geleend had weer aan de maatschappij terug kon betalen (met dat geld had hij Hypotheek Visie gefinancierd – red.). “Daarbij heeft Maes vrijwel alle betrokkenen en ook ons misleid. Zoiets doe je natuurlijk niet als alles 100% in orde is.”
Leuven suggereert echter dat het zoeken van de publiciteit de definitieve doodsteek voor de Veldhovense verzekeringsmaatschappij heeft betekend. “Het tekort van dertig miljoen waar Lieuwma van sprak, er vanuit gaande dat dit waar was, daar kon volgens mij nog in alle redelijkheid met de aandeelhouders over gesproken worden. Die hadden namelijk al vijftig miljoen in Vie d’Or gestopt. Anders werd het toen het tekort vervolgens groeide tot 180 miljoen op basis van discontinuïteit, waarbij alle waarden in één keer werden afgeschreven. Daarmee werd het probleem onoplosbaar.”
“Heeft Lieuwma met de aandeelhouders om de tafel gezeten om extra kapitaal te verwerven? Dan had hij dat beter kunnen doen vóórdat hij de publiciteit zocht. Nee, ik vraag me werkelijk af of Vie d’Or zonder publiciteit wel onderuit was gegaan. Maes was inmiddels weg, waardoor men orde op zaken kon stellen. Vie d’Or kon verkocht worden.”
Lieuwma
Gezien de verwijten van Leuven aan het adres van Lieuwma, vroegen wij de laatste hierop te reageren.
“Goed om te horen dat de heer Leuven in maart 1996 ineens ook durft te beweren dat er het nodige mis was met Vie d’Or. Ik hoop nog eens aan de weet te komen waarom ook de actuaris van Vie d’Or nooit eerder daadwerkelijk heeft ingegrepen tegen het mismanagement. Daar moet toch een logische verklaring voor zijn.”
“Wonderlijk dat de heer Leuven na de rapporten van KPMG, de Stichting Vie d’Or en de Politiek nog durft te suggereren dat de publiciteit Vie d’Or de doodsteek gaf. Hij zal toch ook beseffen dat Vie d’Or vóór 15 november 1993 al lang dood was en dat de verantwoordelijken dit om hen moverende redenen stil gehouden hebben.”
“De heer Leuven vergist zich met de bewering dat ik voor 15-11-1993 niet met de aandeelhouders sprak over de misstanden. Hij neemt het me waarschijnlijk kwalijk dat ik de heer Maes als één van de vier aandeelhouders niet geïnformeerd heb. De overige aandeelhouders heb ik vanaf de dag dat ik in dienst trad (1-11-1993) tot de dag dat ik de vakpers informeerde (15-11-1993) samen met de heer Gerard van Dijk (financieel adviseur) regelmatig geïnformeerd over de vele misstanden bij Vie d’Or. Toen was k ervan overtuigd dat ik hen iets nieuws vertelde. Nu weet ik dat niet zo zeker meer.”
Gert Leuven: “Ingenomen met conclusies KPMG”.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.