nieuws

Generali gaat verplichte deelneming aanvechten

Archief

Generali heeft via verzetdagvaardingen een rechtzaak aangespannen tegen het Bedrijfspensioenfonds (Bpf) voor de Handel in Bouwmaterialen. Inzet is afschaffing van de verplichte winkelnering bij pensioenfondsen.

Aanleiding tot de zaak zijn dwangbevelen van het Bpf voor de Handel in Bouwmaterialen aan het adres van Brentjens’ Handelsonderneming. Het Bpf wil dat Brentjens’ toetreedt tot het fonds en achterstallige premies betaalt. Brentjens’ – opgericht in 1963 – wil echter dispensatie, omdat het al een pensioenregeling heeft bij Generali.
Het Bpf heeft de dispensatie geweigerd en eist sinds februari van dit jaar de achterstallige premies op. In juni volgden meerdere dwangbevelen om de eis kracht bij te zetten. Generali besloot daarop verzetdagvaardingen te laten uitgaan. “Een zaak bij de kantonrechter is in dit geval de noodzakelijke eerste stap”, aldus Generali-woordvoerster Geerke Simons. “Gezien de impact van de vraagstelling zal het wellicht niet bij een kantonrechter blijven.”
Het verzet richt zich ten eerste op het Nederlandse concurrentiebeding, dat in tegenspraak zou zijn met de verplichte deelname aan een pensioenfonds. Ten tweede op het gewoonterecht, aangezien Brentjens’ al sinds 1968 een pensioenregeling heeft bij Generali. En ten slotte op het feit dat de bedrijfstakregeling qua premie en pensioenhoogte een verslechtering zou betekenen voor de werknemers, ten opzichte van de Generali-regeling.
Europese Hof
De Generali-zaak staat niet op zichzelf, maar kent al een aantal vergelijkbare voorbeelden. De advocaat W.P.M. Thijssen van Nauta Dutilh zette de laatste stand van zaken op jurisprudentieel terrein onlangs op een rij, tijdens de conferentie ‘Marktwerking en flexibilisering voor pensioenfondsen en levensverzekeraars’ van het Institute for International Research.
De in 1993 gestarte zaak tussen de fysiotherapeuten Van Schijndel/Van Veen tegen hun pensioenfonds leverde door procedurefouten geen bruikbare antwoorden op van het Europese Hof, op vragen van de Hoge Raad in Nederland. Op identieke vragen van de kantonrechter in Arnhem – in de zaak Albany (verzekerd bij Nationale-Nederlanden) tegen het Bpf voor Textielindustie – moet het Europese Hof binnenkort antwoord geven.
Volgens Thijssen is het niet onwaarschijnlijk dat dit antwoord hetzelfde zal klinken als de veelzeggende uitspraak van de Rotterdamse Rechtbank in zaak van het Bpf voor Vervoer- en Havenbedrijven tegen de BV Drijvende Bokken. De Rotterdamse rechter was op 25 januari van dit jaar van mening dat de verplichte deelneming niet strijdig is met het Europese mededingingsrecht. Een Bpf kan niet worden aangemerkt als een onderneming in de zin van het EG-verdrag, maar veeleer als een sociale instelling.
De Rotterdamse rechtbank stelde geen prejudiciële vragen aan het Europese Hof en sprak zich stelliger uit de Europese Commissie in een eerder stadium. Die commissie vindt een pensioenfonds wél een onderneming. Maar de sociale doelstelling en het feit dat verplichte deelneming een noodzakelijk middel is om dat doel te bereiken, rechtvaardigen een afwijking van het Europese mededingingsrecht.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.