nieuws

Fiscale onzekerheid over contraverzekering (2)

Archief

In het artikel ‘Fiscale onzekerheid over contraverzekering’ in AM Fiscaal van 6 december 1996 stelt mr. Alfred S. Lagendijk onder meer dat, indien een contraverzekering tegen eenmalige koopsom wordt gesloten op het leven van een verzekerde van 60 of 65 jaar, de vrijstelling voor de inkomstenbelasting over het rente-element geheel verloren gaat. Bij die stelling plaats ik vraagtekens.

De vrijstellingen voor rente begrepen in kapitaalsuitkeringen uit levensverzekeringen zijn thans geregeld in artikel 26a van de Wet IB 1964.
In lid 1 van dit artikel is geregeld dat níet tot de inkomsten uit vermogen behoort de rente die is begrepen in een uitkering uit levensverzekering ten gevolge van overlijden in de volgende situaties:
a. Het overlijden vindt plaats vóórdat de verzekerde de leeftijd van 72 jaar heeft bereikt.
b. Het overlijden van de verzekerde vindt plaats nadat de verzekerde de leeftijd van 72 jaar heeft bereikt en ter zake van de verzekering tenminste gedurende 15 jaren jaarlijks premies zijn voldaan, waarbij de hoogste premie niet meer dan het tienvoud van de laagste premie heeft bedragen.
c. Het overlijden van de verzekerde vindt plaats na het bereiken van de leeftijd van 72 jaar, er is uitsluitend een kapitaal bij overlijden verzekerd, én de uitkering bedraagt – tezamen met andere uitkeringen uit levensverzekering ten gevolge van dat overlijden – niet meer dan f 11.700.
Eisen
Het voldoen aan slechts één van deze eisen is voldoende om een vrijstelling van inkomstenbelasting te kunnen genieten over het rentebestanddeel in een uitkering uit levensverzekering ten gevolge van overlijden. De conclusie van Lagendijk dat van een vrijgestelde uitkering geen sprake is indien niet wordt voldaan aan één van deze voorwaarden, is hiermee in strijd.
De stelling dat een overlijdensrisicoverzekering die wordt gesloten op het leven van één of meer verzekerden die de leeftijd van 60 of 65 jaar hebben bereikt nimmer kan leiden tot een vrijgestelde uitkering, moet daarom als onjuist worden aangemerkt.
Een uitkering uit een overlijdensrisicoverzekering ten gevolge van overlijden van de verzekerde vóórdat die de leeftijd van 72 jaar heeft bereikt, is in alle gevallen – ongeacht de wijze waarop de verzekering is gefinancierd – vrijgesteld van inkomstenbelasting. Het is immers op grond van de eis onder a. niet noodzakelijk de verzekering tegen jaarlijkse premie te sluiten. Het enige criterium voor een vrijgestelde uitkering is het overlijden van de verzekerde vóór de leeftijd van 72 jaar.
De eisen onder b. en c. hebben betrekking op uitkeringen ten gevolge van overlijden van een verzekerde ná het bereiken van de 72-jarige leeftijd. Alleen in situatie b. is daarbij de duur van de premiebetaling en de bandbreedte tussen de hoogste en de laagste premie relevant.
In de situatie die wordt bedoeld onder c. gaat het om zogenaamde begrafenispolissen. Die kunnen ook nog na het bereiken van de 72-jarige leeftijd van de verzekerde worden gesloten, zelfs tegen eenmalige koopsom. De rente begrepen in de uitkering ten gevolge van overlijden van de verzekerde uit een dergelijke polis is niettemin vrijgesteld van inkomstenbelasting.
Contraverzekering
Terug echter naar de situatie als bedoeld onder a. Een contraverzekering, Lagendijk maakte daar al melding van, wordt veelal gesloten in de vorm van een dalende overlijdensrisicoverzekering. Het oorspronkelijk verzekerde kapitaal wordt dan gesteld op het bedrag van de koopsom voor de direct ingaande lijfrente of het pensioen. Dat kapitaal daalt jaarlijks met het bedrag van de jaarlijkse uitkering uit de lijfrente/pensioen. Men kan daarbij bruto bedragen hanteren maar ook de netto te ontvangen uitkeringen als uitgangspunt nemen voor de bepaling van het verzekerde kapitaal en de daling daarvan.
Dit uitgangspunt maakt dat de contraverzekering, zeker wanneer die op of omstreeks de 60-jarige leeftijd van de verzekerde(n) wordt gesloten, veelal voor het bereiken van de 72-jarige leeftijd van de verzekerde(n) eindigt. Van heffing van inkomstenbelasting over de uitkering zal derhalve slechts in sporadische gevallen sprake zijn. Het is zelfs bij een ingangsdatum van de contra-verzekering op 65-jarige leeftijd van de verzekerde(n) nog zinvol om een dergelijke verzekering te sluiten.
Weliswaar bestaat in dat geval de mogelijkheid dat over een uitkering bij overlijden inkomstenbelasting zal moeten worden voldaan, omdat de uitkering mogelijk wordt gedaan vanwege overlijden nadat de (langstlevende van de) verzekerde(n) de leeftijd van 72 jaar heeft bereikt. Dat is echter altijd nog beter dan het verloren gaan voor de verwanten van het gehele nog resterende kapitaal. Zeker wanneer het gaat om een lijfrente of pensioen op twee levens en er derhalve pas bij het tweede overlijden definitief kapitaalverlies kan optreden, is de koopsom voor een dergelijke verzekering gering.
Successierecht
Na vastgesteld te hebben dat de IB-problematiek beduidend gunstiger is dan Lagendijk heeft vermeld, krijgt het tweede door hem behandelde fiscale aspect, dat van het Successierecht, wellicht alsnog de aandacht die het door de voorafgaande negatieve visie op de IB-problematiek mogelijk is misgelopen.
Het is dus wel aantrekkelijk, ook voor verzekerden van 60 jaar of ouder, om naast een direct ingaande lijfrente of pensioen, een dalende risicoverzekering te sluiten ter vermijding van kapitaalverlies bij vroegtijdig overlijden. Met Lagendijk ben ik daarbij van mening dat het van wezenlijk belang is dat de tariefstelling en de medische acceptatieprocedure zodanig moeten zijn, dat de overlijdensrisicopolis zonder het bestaan van de lijfrente of het pensioen op dezelfde voorwaarden zou zijn geaccepteerd. Plaats voor onzekerheid over contraverzekeringen is er uitsluitend wanneer prijsstelling en acceptatie door de verzekeraar niet in overeenstemming zijn met hetgeen gangbaar is voor zelfstandig gesloten risicoverzekeringen.
Op grond van het vorenstaande kan ik niet inzien wat het nuttig effect is van overleg hierover tussen de Belastingdienst en Verbond van Verzekeraars. Het door Lagendijk gememoreerde arrest van de Hoge Raad (2-9-1992, BNB 1992/350) bepaalt dat stamrecht- en contraverzekering ieder op zijn eigen merites moet worden beoordeeld. Zolang verzekeraars derhalve tarieven en voorwaarden hanteren zoals ik hiervoor heb vermeld, is er geen enkele reden om overleg met de Belastingdienst te plegen over deze materie. De op zichzelf nuttige contacten van het Verbond met de Belastingdienst kunnen beter worden benut voor overleg over echt controversiële onderwerpen. E.W.G. Terpelle, medewerker fiscaal adviesbureau Aegon.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.