nieuws

Eén verzekering op twee polissen: heeft Financiën zijn beleid gewijzigd?

Archief

door mr H.M. Kappelle

Wetswijzigingen waarbij het fiscale regime voor levensverzekeringen en lijfrenten betrokken is, kunnen, gezien de veelal zeer lange looptijd van dergelijke contracten, niet zonder overgangsrecht. Vaak blijkt het overgangsrecht zelfs een langere looptijd te hebben dan de gewijzigde wetsbepalingen waaruit het overgangsrecht voortvloeit. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan de overgangsbepalingen met betrekking tot de lijfrenten van vóór 1964 en de kapitaalverzekeringen van vóór 1977. Beide regimes zijn inmiddels al weer ingrijpend gewijzigd, maar het overgangsrecht ter zake bestaat nog steeds en zal nog wel even blijven bestaan.
Met name het overgangsrecht van Brede Herwaardering I blijkt nog al wat nadere uitleg te behoeven. Niet alleen moest Financiën bij resolutie verklaren wat men onder ‘een normale en gebruikelijke optieclausule’ moet verstaan, ook moest via het per 1 januari 1995 in werking getreden reparatie-voorstel Brede Herwaardering III duidelijk worden gemaakt dat het verlengen van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule in beginsel kàn zonder dat het oude regime verloren gaat. Hetzelfde geldt voor het op de expiratiedatum gebruiken van het kapitaal om een nieuwe kapitaalverzekering met lijfrenteclausule aan te kopen.
Recent heeft de staatssecretaris via een mededeling nadere uitleg gegeven over aanvullende premiestortingen bij lijfrenten en het overgangsrecht (mededeling van de staatssecretaris van Financiën van 30 november 1994, nr DB94/4306M, Infobulletin 1995/1).
Op zichzelf is deze mededeling weinig spectaculair en verrassend. Vergelijken we hem echter met een andere nog niet zo lang geleden gepubliceerde mededeling van de staatssecretaris met betrekking tot kapitaalverzekeringen met een hoog/laag premie (mededeling van de staatssecretaris van Financiën van 6 oktober 1993, nr DB93/3935M, Infobulletin 1993/636) dan zien we een opvallend verschil in inzicht.
‘Aanvullende premiestortingen en wijziging risico bij lijfrenteverzekeringen’
Onder deze kop geeft de staatssecretaris op 30 november 1994 nadere uitleg omtrent de fiscale gevolgen van aanvullende premiestortingen op lijfrenteverzekeringen die zijn gesloten vóór 15 oktober 1990 en zodoende nog onder het fiscale regime van vóór Brede Herwaardering I vallen.
Indien dergelijke polissen voorzien zijn van een optieclausule op grond waarvan een hogere premie kan worden betaald dan oorspronkelijk was overeengekomen, leidt een verhoging van de premie niet tot verlies van het oude regime. Gezien de beperkingen die de administratieve systemen van menig verzekeraar kennelijk nog steeds kennen, wordt de verhoging in sommige gevallen verwerkt op een aanvullende polis met een afzonderlijk polisnummer. Volgens de staatssecretaris blijft er in dergelijke gevallen sprake van een onder het oude regime vallende polis, mits is voldaan aan een tweetal voorwaarden. Ten eerste moet op de aanvullende polis een verbindingsclausule zijn geplaatst waaruit blijkt dat de in deze polis belichaamde rechten onverbrekelijk verbonden zijn met de rechten van de oorspronkelijke overeenkomst, waarnaar expliciet moet zijn verwezen. Ten tweede moeten de rechten uit de aanvullende polis slaan op dezelfde verzekeringsvorm als de oorspronkelijke verzekeringsovereenkomst. Dit wil zeggen dat sprake moet zijn van dezelfde verzekeringnemer, verzekerde, begunstigde(n) en einddatum. De aanvullende rechten mogen wel in een andere valuta luiden of in eenheden van een beleggingsfonds.
Kapitaalverzekeringen met hoog/laag premie
In zijn mededeling van 6 oktober 1993 gaat de staatssecretaris in op een soortgelijke problematiek bij kapitaalverzekeringen. Ik schreef hier reeds over in AM 94/4.
De bewuste mededeling van de staatssecretaris vond zijn oorsprong in het verzoek van een aantal verzekeringmaatschappijen die administratief niet in staat bleken om een kapitaalverzekering met hoog/laag premie (vaak één hoge premie en overigens lage premies, alles binnen de wettelijke bandbreedte) aan te bieden op één polis. De staatssecretaris spreekt hierbij, mijns inziens ten onrechte, over één overeenkomst van levensverzekering in plaats van één polis.
Zoals ik in AM 94/4 uitgebreid heb beschreven, is er in dergelijke gevallen wel degelijk sprake van één overeenkomst van levensverzekering, die echter geadministreerd is op twee polissen. In de desbetreffende gevallen wordt op de ene polis het gedeelte van de verzekering geadministreerd dat tegen gelijkblijvende premie is gesloten en op de andere polis het gedeelte dat gesloten is tegen de eerste hoge premie minus de vaste gelijkblijvende premie.
Bij wijze van tegemoetkoming keurde de staatssecretaris goed dat beide polissen vooralsnog als één overeenkomst van levensverzekering werden beschouwd, mits sprake is van een verbindingsclausule en beide polissen dezelfde essentiële elementen inhouden.
Met ingang van 1 april 1994 dienden alle op deze wijze opgemaakte polissen echter zodanig te zijn aangepast dat de gehele verzekering op één polis was geadministreerd.
Commentaar
Zoals ik in AM 94/4 al aangaf, was er mijns inziens weinig reden voor de verzekeraars om zich iets van de door de staatssecretaris gestelde deadline van 1 april 1994 aan te trekken. Waar het om ging en gaat, is dat sprake is van één overeenkomst van levensverzekering, ongeacht op hoeveel polissen deze overeenkomst is geadministreerd. De polis is het bewijsstuk van de overeenkomst en niet de overeenkomst zelve.
Dit uit fiscaal-juridisch oogpunt naar mijn mening enige juiste standpunt lijkt nu ook op het ministerie van Financiën medestanders te hebben gevonden. In de mededeling van 30 november 1994 keurt de staatssecretaris goed wat hij in de mededeling van 6 oktober 1993 nog uitdrukkelijk afkeurde. Het feit dat in de ene mededeling sprake is van kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule en in de andere van kapitaalverzekeringen kan geen reden zijn voor een verschillend standpunt in dezen.
Het zal duidelijk zijn dat ik mij in de meest recente opvattingen van de staatssecretaris van Financiën beter kan vinden dan in het in oktober 1993 ingenomen standpunt. Zo lang maar sprake is en blijft van dezelfde overeenkomst van levensverzekering, kunnen extra premies zonder enig probleem onder een ander polisnummer worden geadministreerd.
Ook het spiegelbeeld van deze situatie, twee verzekeringen op één polis, is onlangs door de staatssecretaris van Financiën gesanctioneerd. Tijdens de mondelinge behandeling van Brede Herwaardering III, waarin onder andere oneigenlijk gebruik van de fiscale vrijstellingen voor kapitaalverzekeringen met ten minste vijftien en twintig jaar looptijd werd gerepareerd, heeft de staatssecretaris gezegd dat het mogelijk is om een kapitaalverzekering met looptijd van vijftien jaar en een kapitaalverzekering met looptijd van twintig jaar op één polis te administreren. Indien de verzekering met looptijd van vijftien jaar tot uitkering komt, heeft dat derhalve naar zijn mening geen invloed op de vrijstelling met betrekking tot de uitkering uit de verzekering met looptijd twintig jaar.
Ook dit ben ik van harte met hem eens. Eén verzekering op twee polissen kan dus, twee verzekeringen op één polis ook. Hoog tijd derhalve om de veel verwarring veroorzakende mededeling van 6 oktober 1993 in te trekken en te vervangen door een mededeling waarin het voor kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule geformuleerde beleid – zoals neergelegd in de mededeling van 30 november 1994 – ook van toepassing wordt verklaard op kapitaalverzekeringen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.