nieuws

Doorhaling SER-inschrijving wegens (vrees voor) schade aan het aanzien

Archief

van stand der tussenpersonen

Het gebeurt vier tot vijf keer per jaar dat de SER een serieus verzoek ontvangt tot doorhaling van de inschrijving van een assurantietussenpersoon, omdat deze het aanzien van de stand der tussenpersonen zou schaden. “Na uitvoerig onderzoek komt het in de praktijk uit op één à twee feitelijke doorhalingen per jaar”, zegt desgevraagd mr H.J. de Meij van de SER.
Onlangs werd een vrouw die tegen een dergelijke doorhaling beroep had aangetekend, in het ongelijk gesteld door het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
De relevante feiten chronologisch op een rijtje: op 27 oktober 1993 was zij door de rechtbank te Assen veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf wegens het plegen van een aantal strafbare feiten, waaronder deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, het medeplegen van oplichting en het medeplegen van valsheid in geschrifte; bij brief van 16 december 1993 diende een verzekeraar schriftelijk bij de SER het verzoek in om de inschrijving van betrokkene door te halen; de SER heeft vervolgens een zogenoemd standseeronderzoek ingesteld, in het kader waarvan ook de vrouw haar visie op de zaak kenbaar heeft kunnen maken; bij besluit van 15 juli 1994 is de inschrijving doorgehaald.
Gerechtshof
Later dat jaar, op 25 oktober 1994, heeft het gerechtshof te Leeuwarden het vonnis van de rechtbank vernietigd. Omdat evenwel een deel van het tenlastegelegde bewezen werd geacht, werd de vrouw door het hof veroordeeld – wegens het meermalen plegen van valsheid in geschrifte – tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en tevens tot 240 uur dienstverlening.
De vrouw, die bij de SER bezwaar tegen de doorhaling had aangetekend, kreeg daar nul op rekest. De SER had de beslissing gehandhaafd, ondanks het gegeven dat zij door het gerechtshof was vrijgesproken op een aantal punten waarvoor zij door de rechtbank wel schuldig was verklaard. “De overgebleven strafbare feiten, waarvoor zij ook door het gerechtshof is veroordeeld, zijn dermate ernstig van aard dat daardoor met name haar financiële en administratieve betrouwbaarheid in het geding is gekomen en wel zodanig, dat art. 8 tweede lid aanhef en sub b van de Wabb op de inschrijving van toepassing dient te worden verklaard. Zij kan, gelet op haar veroordeling, niet meer de vertrouwenspositie ten opzichte van verzekeringnemers, verzekerden, uitkeringsgerechtigden en verzekeraars innemen die van een assurantietussenpersoon wordt verlangd.” Het feit dat zij geen onoirbare handeling ten opzichte van twee andere verzekeraars heeft gepleegd, doet hieraan niet af, aldus de SER.
Verkeerde partner
In het beroepschrift voert de vrouw onder meer aan:
“Uiteindelijk ben ik veroordeeld voor het zetten van 3 maal een handtekening onder een akte, welke was voorbereid door mijn voormalige partner, zowel privé als zakelijk. Ik vertrouwde hem volkomen. Tevens voor enige nota’s welke ik voor hem heb uitgeschreven en welke naderhand vals bleken te zijn. Nimmer heb ik, in welke hoedanigheid dan ook, het verzekeringswezen benadeeld. Vanaf 1967 ben ik werkzaam in dit vak en ik hoop dat u het mij mogelijk maakt het vak te kunnen blijven uitoefenen.” De vrouw zou er met behulp van professionele hulpverleners in geslaagd zijn zich financieel en emotioneel van haar voormalige partner los te maken. “Indien het bestreden besluit in stand wordt gelaten, wordt mij de mogelijkheid ontnomen opnieuw als tussenpersoon zelfstandig een bestaan op te bouwen.”
Financieringen
In het verweerschrift voerde de SER het volgende aan:
“De meeste onregelmatigheden zijn geconstateerd bij het optreden van de vrouw als intermediair voor financieringen/geldleningen. De strafbare feiten waarvoor zij uiteindelijk door het Hof van Leeuwarden is veroordeeld hebben geen betrekking op assurantiezaken. De combinatie financierings- en assurantiebemiddeling is een gebruikelijke. Voor beide bedrijfsactiviteiten geldt, dat het intermediair een bepaalde vertrouwenspositie inneemt zowel naar de cliënten toe als naar de geldverstrekkers of assuradeuren. Een tussenpersoon gaat dagelijks om met gegevens van cliënten en dient hun (financiële) belangen te behartigen. In de praktijk verlaat een cliënt zich volledig op de tussenpersoon. Cliënten mogen erop vertrouwen dat hun wensen op een correcte (legale) wijze vertaald worden richting geldverstrekkers/assuradeuren. Een tussenpersoon dient dan ook te voldoen aan een bepaalde standaard van moraliteit en integriteit. Een persoon die veroordeeld is voor oplichting of valsheid in geschrifte, zeker in het geval dat die strafbare feiten zijn gepleegd in de uitoefening van het beroep/bedrijf als intermediair, voldoet naar ons inzicht niet (meer) aan de bedoelde norm.” Volgens de SER kan deze norm niet worden gesplitst in een standaard van moraliteit in geldzaken en een standaard voor moraliteit in assurantiezaken, te meer waar bedrijfsactiviteiten op die gebieden behoren tot de financiële dienstverlening.
‘Normaal mens’
Als het gaat om de vraag of de vrouw te veel onder de indruk was van haar toenmalige levens- en zakenpartner, zoekt de SER aansluiting bij de betreffende toetsing van de rechtbank te Assen. Deze oordeelde, dat de vrouw “een normaal mens is met de daarbij behorende normale geestelijke vermogens, niet alleen tijdens de zitting maar ook ten tijde van de telastegelegde feiten”.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven onderschrijft de argumenten van de SER ten volle en verklaart het beroep ongegrond. College van Beroep voor het bedrijfsleven, zaaknummer 95/0157/021/001.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.