nieuws

Directeur expeditiebedrijf laat zich geen stress-verleden aanpraten

Archief

Bij de toetsing van het begrip ‘verzwijging’ is van essentieel belang de vraag of de betrokkene heeft geweten of heeft moeten begrijpen dat bepaalde informatie voor verzekeraar relevant zou zijn in het acceptatieproces. Zo niet, dan zal een verzekeraar zich zonder succes beroepen op art. 251 WvK, zoals uit het navolgende blijkt.

Een directeur van een expeditiebedrijf sluit begin 1990 een verzekering voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid (uitkering gedurende maximaal twee jaar na een wachttijd van 14 dagen).
Op het aanvraagformulier werd door de verzekeringnemer verwezen naar een bijgevoegde kopie van een zeer recent keuringsrapport, dat (in december 1989) was opgemaakt in verband met een bij een andere verzekeraar aangevraagde aov.
Drie jaar later, op 18 maart 1993, meldt de directeur zich arbeidsongeschikt. Bij brief van 22 juli 1993 laat de verzekeraar weten, dat hij een beroep doet op art. 251 WvK. De motivering luidt, dat de man in 1987 en 1989 problemen met zijn gezondheid heeft gehad en daarvan is op het keuringsformulier van eind 1989 geen melding gemaakt.
Vernederd
De ondernemer dient een klacht in bij de Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf. Hij heeft in 1987 en 1989 last gehad van zijn maag, maar hij is nooit overspannen geweest, zoals nu het geval is. Het keuringsformulier is volgens hem naar eer en geweten ingevuld. Klager voelt zich door verzekeraar vernederd, omdat deze doet voorkomen alsof hij bij het aanvragen van de onderhavige verzekering niet de waarheid heeft verteld.
De man stelt, dat hij bij de keuring zijn griepklachten uitvoerig heeft toegelicht aan de betrokken arts. De griepklachten in 1987, in verband waarmee hij slechts korte tijd arbeidsongeschikt is geweest, hadden, naar klagers huisarts ook aan verzekeraars medisch adviseur had geschreven, geen enkele psychogene oorzaak. In verband met de griepklachten van 1989 heeft klager zijn huisarts slechts één keer bezocht en is hij in het geheel niet arbeidsongeschikt geweest. Ook die griepklachten hadden volgens klagers huisarts niets met psychische spanningen te maken. Klager blijft op het standpunt staan, dat hij vóór 1993 nooit stress heeft gehad en dat hij dus de betreffende vraag in het aanvraagformulier naar waarheid ontkennend heeft beantwoord.
Wèl spanningen
In een aanvullend verweer, gaat de verzekeraar in op het eventuele verband tussen de genoemde maagklachten en spanningen. “Klager stelt nu wel, dat van spanningen nooit eerder sprake is geweest, doch de bevindingen van de arts die op 17 mei 1993 over de gezondheidstoestand van klager aan ons rapport heeft uitgebracht, luiden anders.” De man had dus van die spanningen melding dienen te maken, aldus de verzekeraar. “Zulks geldt te meer, nu deze klachten zich meer dan eens bij klager hebben voorgedaan en klager een zeer stressvol beroep heeft, waarbij een verhoogde kans op arbeidsongeschiktheid wegens psychische klachten bestaat”.
In een reactie laat de klager de Raad van Toezicht desgevraagd weten, dat hij zich door verzekeraar incorrect behandeld blijft voelen. Hij weerspreekt opnieuw de veronderstelde spanningen van vóór 1990.
Oordeel Raad van Toezicht
De Raad van Toezicht overweegt ten eerste, dat de informatie die klager bij het medisch onderzoek in december 1989 heeft verstrekt, in de gegeven situatie zonder beperking geldt voor de onderhavige verzekering.
Uit de medische stukken komt volgens de Raad naar voren dat klagers niet meegedeelde kwalen – maagklachten en een globusgevoel – van zo weinig betekenis zijn, dat het de vraag is of een redelijk handelende verzekeraar daar bij de acceptatie een punt van zou hebben gemaakt.
Maar dit kan eigenlijk in het midden blijven, aldus de Raad, omdat in de stellingen van klager ligt besloten dat hij niet heeft geweten en niet heeft behoren te begrijpen, dat die maagkwalen van belang zouden zijn bij de acceptatie. Daarom wordt de klacht gegrond verklaard. Hieraan is voor de verzekeraar de consequentie verbonden, dat hij de arbeidsongeschiktheidsverzekering in kracht dient te herstellen en dat hij de arbeidsongeschiktheidsmelding van 18 maart 1993 alsnog in behandeling dient te nemen. Uitspraak IV-95/5
…of het gedrukt staat
Op 2 mei 1989 ondertekent een ondernemer een gezondheidsverklaring behorend bij een aanvraagformulier voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Hij zou in 1984 voor het laatst een arts hebben geraadpleegd, en wel in verband met een ‘griepje’. Gevraagd naar eventueel alcoholgebruik en de frequentie daarvan, antwoordde hij: “ja, bij gelegenheid”. Bij een keuring op 8 mei worden genoemde aspecten enigszins genuanceerd. Op de vraag wanneer hij voor het laatst een arts geraadpleegd had, antwoordde hij: “drie maanden geleden in verband met scheidingsproblematiek”. Wat betreft het gebruik van alcohol, antwoordde hij: “drie biertjes per dag”. Begin 1993 meldt hij zich arbeidsongeschikt, welke situatie feitelijk al sinds 25 september 1992 zou bestaan. Bij onderzoek wordt veel duidelijk. Vrij kort vóór de aanvraagdatum van de aov had de man niet alleen te kampen met ernstige psychische problemen, waarvoor hij bij een psychiater onder behandeling was, er was ook sprake van overmatig alcoholgebruik. Volgens een behandelend psychiater dronk de man “tot een kratje bier per dag”. De aov-verzekeraar deed een beroep op ‘verzwijging’ en het zal geen verbazing wekken, dat de Raad van Toezicht de door de man ingediende klacht ongegrond verklaarde (Uitspraak nr IV-94/4).

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.