nieuws

De toekomst van de lijfrenteaftrek

Archief

De lijfrentepremieaftrek ligt niet voor de eerste keer onder vuur. De regeringscoalitie in de dop heeft besloten om de basisaftrek te schrappen. Alle partijen, inclusief de VVD, zijn het erover eens dat deze aftrek geen bestaansrecht meer heeft. De verzekeraars uiten vertwijfeld hun afkeer, maar wordt het niet eens tijd om het roer om te gooien? In elk geval is het tijd voor een nadere analyse.

Alfred Lagendijk
De verzekeraars hebben op diverse plekken hun ongenoegen geuit over de politieke voornemens met de lijfrenteaftrek. Voorbeelden zijn artikelen in Het Financieele Dagblad van Frits de Leeuw, voorzitter van de sector Leven van het Verbond van Verzekeraars, op 21 mei en van Aegons Herman Kappelle op 6 juni. Met name de laatste ontplofte werkelijk over het afschaffen van zowel de spaarloonregeling als de lijfrenteaftrek in de basisruimte.
Alvorens een blik te werpen op de ‘lijfrenteweg’ voor ons, even stukje terug in de tijd.
Ruim bemeten
De jaren tachtig kenden een vaste lijfrenteaftrek van zo’n 8.000 à 9.000 euro en een ruime vrijheid in besteding van de lijfrenteuitkeringen. De Brede Herwaardering maakte daaraan een einde. In eerste instantie is eind jaren tachtig voorgesteld om een zogenoemd natuurlijk maximum in te voeren. Dat wil zeggen dat eenieder die in aanmerking kwam voor lijfrenteaftrek zijn eigen maximale aftrek had of kon creëren voor lijfrentepremies.
Of het natuurlijk maximum werd gekoppeld aan het maximum van de portemonnee of het maximum van een op te bouwen oudedagsvoorziening is van meet af aan nooit duidelijk geworden. En zo stierf het natuurlijk maximum een natuurlijke dood. In plaats daarvan is het tranchesysteem ingevoerd. Dit bestond uit een basisaftrek van ruim 6.000 euro per persoon (in het jaar 2000), een aanvullende aftrek voor zover in een lopend jaar te weinig opbouw van de oudedagsvoorziening plaatsvond en een specifieke aftrek voor tekorten vanuit het verleden.
Dit was een ingewikkeld systeem met veel rekenregels met een grote kans op fouten, zowel in de advisering als in de controle door de belastingdienst. Ook een arbeidsintensief en dus duur mechanisme, zowel ingeval de berekening separaat wordt doorberekend aan de klant als ingeval de berekening in de kostprijs van de verzekering wordt begrepen. Daarnaast is ook een investering in IT en administratie nodig.
De verwaaide paraplu
In het beleidsplan van de belastingherziening IB 2001 is men voortvarend en ambitieus van start gegaan door te stellen dat er een oudedagsparaplu moest komen die iedereen aan een behoorlijke oudedagsvoorziening zou kunnen helpen. Het resultaat van de inspanningen ligt vast in de Wet IB 2001: een basisaftrek van 1.000 euro per persoon, een jaaraftrek van 17% van de premiegrondslag (bestaande uit het inkomen verminderd met de AOW-inbouw) en een aftrek voor mensen die minder lijfrentepremies hebben betaald en afgetrokken dan zij hadden kunnen doen, hetgeen iets anders en beperkter is dan het hebben van een pensioentekort.
Wie dacht dat deze invulling van de oudedagsparaplu de mogelijkheid zou bieden om een goede totale pensioenvoorziening op te bouwen, kwam bedrogen uit. Maar juist voor de na-oorlogse generaties laat het totaal van de pensioenopbouw veel te wensen over en zijn faciliteiten voor die opbouw dus hard nodig. Ik kom in mijn praktijk de schrijnende gevallen elke dag weer tegen.
De tweede conclusie is, dat er absoluut geen coherentie is met het in 1999 ingevoerde pensioenstelsel uit de koker van de commissie Witteveen. Terwijl een werknemer binnen het pensioenstelsel de mogelijkheid heeft pensioen in te kopen tot een maximum van grofweg 70% van het laatstgenoten salaris, bestaat deze mogelijkheid via de lijfrenteaftrek niet.
Pensioeninkoop
Van de mogelijkheid om pensioen in te kopen wordt in de praktijk nog weinig gebruik gemaakt. Daarvoor is een aantal redenen aan te geven:
– Ingeval van waardeoverdracht van pensioen bij verandering van baan wordt een pensioenbreuk vaak maar gedeeltelijk gerepareerd. Een volledige reparatie is vaak een kostbare zaak. De premies hiervoor komen ten laste van het pensioenfonds of de werkgever. In deze tijd, waarin veel bedrijven de broekriem aanhalen, is dat een moeilijk haalbare kaart. Bovendien is vaak voor de werknemer niet zichtbaar waar een tekort ontstaat;- Veel werkgevers hebben geen vrijwillige bijspaarregeling voor het pensioen van de werknemers en dragen niet bij aan een ingewikkelde, op maat gemaakte regeling, waardoor elke werknemer zijn eigen pensioentekorten vanuit het verleden zou kunnen repareren;- De communicatie over pensioenbreuken c.q. pensioentekorten en de noodzaak om er iets aan te doen vanuit de overheid is ronduit slecht, terwijl zij wel met een voorstel voor een verplicht pensioenstelsel op de proppen komt om het beperkte aantal witte vlekken – dat zijn werknemers zonder pensioenregeling – weg te werken, laat zij hier een kans liggen. En dat in de wetenschap dat juist in het verleden een aantal wettelijke maatregelen zijn getroffen die pensioenbreuken moeten voorkomen.Aanvullend kan nog worden gesteld, dat het pensioenstelsel voor ondernemers (niet de dga) en anderen die niet in een dienstbetrekking werken sowieso geen soelaas biedt om een behoorlijke oudedagsvoorziening op te bouwen. Zij zijn geheel en al afhankelijk van de lijfrenteaftrek. Ten tweede heeft volgens berichten in de pers een ruime meerderheid van de gebruikers van de basisaftrek een pensioentekort. Het zou goed zijn om eens inzicht te hebben in de grootte van die tekorten en de mate waarin die tekorten door de basisaftrek worden weggewerkt. Dit zou beslist bijdragen aan de maatschappelijke en politieke bewustwording en een lans breken voor de lijfrenteaftrek.
Positionering
Als ik het historische plaatje bezie, is er altijd al een worsteling geweest over de plek en de invulling van de lijfrenteaftrek in het belastingstelsel. Het zou mijn voorkeur hebben om de lijfrenteaftrek nog eens goed op de tekentafel te leggen en naast het pensioensysteem te houden. De lijfrente kan naar mijn mening uitstekend functioneren als aanvulling op de tekorten die bij een werknemer in de pensioenvoorzieningen ontstaan en als volledige oudedagsvoorziening voor niet-werknemers. De discussie zou dan wat mij betreft ook moeten gaan over de wijze van invulling.
Kies je voor een zuiver doch kostbaar systeem waarbij ingewikkelde berekeningen nodig zijn om voor een individu zijn tekorten vast te stellen of kies je voor een grof systeem met een groot aantal ‘bevoordeelden en benadeelden’. Het gaat dus om generieke eenvoud versus selectieve ingewikkeldheid. Wat mij betreft zou daarin een gulden middenweg bewandeld kunnen worden. Te samen met een betere voorlichting door de overheid en meer inzicht in de daadwerkelijk pensioentekorten op individueel niveau zou voor de lijfrenteaftrek een goede toekomst weggelegd zijn.
van PriceWaterhouseCoopers.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.