nieuws

De Lange bekritiseert pensioenbepaling van Verzekeringskamer

Archief

De conclusie van de Verzekeringskamer dat de betrokken werkgever een substantiële bijdrage (premie) moet leveren als voorwaarde om van een pensioenregeling volgens de PSW te kunnen spreken is volgens het proefschrift van mr P.M.C. de Lange (AVCB) onjuist.

Volgens De Lange, directeur van het fiscaal-juridisch adviesbureau van Centraal Beheer, moet in elk geval van een pensioenregeling volgens de PSW gesproken worden wanneer de werkgever aan zijn werknemers één of meer van de maatschappelijk aanvaarde pensioensoorten heeft toegezegd. Deze pensioensoorten kenmerken zich door hun periodieke en arbeidsinkomensvervangende karakter. “Het is dan ook niet relevant wie de financiering van de pensioenregeling feitelijk draagt. Beslissend is het gegeven dat de pensioenovereenkomst is gesloten tussen een werkgever en een werknemer”.
De Verzekeringskamer heeft die ‘substantiële bijdrage’ vertaald in minstens 50%. Een pensioentoezegging met een mindere of geen bijdrage van de werkgever mag niet door een pensioenfonds worden uitgevoerd. Deze bepaling is een van de hete hangijzers in de actuele discussie over de afbakening van het werkterrein van levensverzekeraars en pensioenfondsen.
Het proefschrift van De Lange draagt de titel ‘Pensioen regelen en verzekeren’ en bestaat uit fiscale beschouwingen over pensioen en pensioenregeling. Hij promoveerde daarmee vorige week aan de rijksuniversiteit in Leiden.
Adequaat niveau
De Lange signaleert een ander knelpunt. Bij een goede pensioenregeling is gangbaar dat qua pensioenniveau gestreefd wordt naar een voortzetting van de levensstandaard die is bereikt tijdens de actieve periode. Bij dat uitgangspunt kunnen vraagtekens worden gezet bij het idee dat de laatste tijd opklinkt om het pensioen af te leiden van het gemiddelde inkomen in plaats van het laatstverdiende inkomen. Wat een adequate pensioenregeling dient te zijn, wordt niet uitgemaakt door de (fiscale) wetgever maar door de sociale partners en uiteindelijk door de samenleving, aldus het proefschrift. Betrokken bewindslieden herhalen steeds hun opvatting dat toepassing van de norm ‘maatschappelijke redelijkheid’ alle ruimte geeft voor het inspelen op nieuwe ontwikkelingen, maar in de praktijk houdt de belastingdienst vaak heel star vast aan normen en regels uit een voorbije pensioenperiode.
Bank geen pensioencontractant
De nieuwe doctor vindt het ook onjuist om in een nieuw systeem van pensioenopbouw individualisering zo ver te laten gaan dat daarmee de zekerheid van pensioen wordt opgegeven. “Pensioenuitkeringen kunnen niet anders verzekerd worden dan onder de voorwaarde dat het lang-leven-risico in solidariteit wordt gedragen”. Dat geldt volgens hem zelfs nog voor de tijdelijke vormen van pensioen, zij het dat daar het lang-leven-risico relatief minder in het oog springt. De Lange: “Pensioen verzekeren is levens verzekeren. De bank is daarvoor niet ingericht. Daarom zie ik niet in waarom de bank als directe contractant zou moeten gaan fungeren voor de uitvoering van een pensioenregeling”.
Fiscale wetgeving Belangrijkste aanleiding voor het proefschrift is de kennelijke ingewikkeldheid van de fiscale wetgeving rond de behandeling van toekomstvoorzieningen, meer in het bijzonder de behandeling van pensioenen en lijfrenten.
De kernvraag is waarom de belastingwetten en de belastingdienst een ander beeld hebben van het begrip pensioenregeling dan de samenleving. Meer concreet: moeten de fiscale behandeling van pensioenregelingen (werknemersvoorziening) en die van lijfrente (individuele voorziening) nader op elkaar worden afgestemd? Zo ja, moet er voor de fiscus een nieuwe definitie komen van het begrip pensioen? De Lange vermeldt in zijn boek alvast een mogelijke nieuwe omschrijving van het begrip pensioen.
Belangrijk voor de fiscale behandeling van pensioen is de vraag of de pensioenuitkeringen moeten worden belast (hetgeen nu het geval is) of de pensioenaanspraak.
Volgens De Lange komt in het thans aanhangige wetsvoorstel Brede Herwaardering II de maatschappelijke tendens tot flexibilisering en individualisering van pensioenregelingen onvoldoende tot uitdrukking.
Stellingen
Twee stellingen:
– De fiscale plaatsbepaling van het begrip pensioen als uitgesteld loon verdraagt zich niet met de stelling dat een pensioenregeling gekenmerkt zou worden door de aanwezigheid van een substantiële bijdrage van de werkgever in de financiering daarvan.
– Het is niet logisch om het begrip levensverzekering dat is ontwikkeld voor de toepassing van de Wet Toezicht Verzekeringsbedrijf in Nederland, ook te doen gelden voor levensverzekeringsprodukten die elders binnen de Europese Unie een afzet zouden moeten kunnen vinden.
Het proefschrift (269 pagina’s) ‘Pensioen regelen en verzekeren’ zal bij Uitgeverij Kluwer in Deventer verschijnen in de reeks ‘Fiscale monografieën’ onder nummer ISBN 90 200 1683 0.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.