nieuws

Conclusie na PIV-jaarconferentie: partijen verharden in standpunten

Archief

Conferenties hebben vaak als doel partijen meer inzicht in elkaars standpunten te bieden, met als onderliggende wens dat dit tevens tot meer wederzijds begrip leidt. Zo’n uitkomst is niet van toepassing op de eind maart gehouden eerste jaarconferentie van het Personenschade Instituut van Verzekeraars (PIV). “Van enige overbrugging is vandaag geen sprake gebleken”, concludeerde dagvoorzitter Han Wansink na afloop.

De organisatoren van de conferentie, het PIV en Studiecentrum Kerckebosch, confronteerden de ruim 250 aanwezige verzekeraars, letselschaderegelaars en advocaten met vier stellingen. Al eerder waren deze stellingen in een landelijke enquête aan personen uit dezelfde groepen voorgelegd (zie kader).
Bij alle stellingen stonden de meningen van de belangenbehartigers van benadeelden en die van aansprakelijkheidsverzekeraars (veelal lijnrecht) tegenover elkaar. Opmerkelijk daarbij was, dat de discussie tijdens de conferentie tot een nog grotere tweedracht leidde, zoals blijkt uit de geciteerde conclusie van Wansink.
Smartengeld-kring
Als de kring van smartengeldgerechtigden wettelijk zou worden uitgebreid, dan dient deze beperkt te blijven tot bepaalde nabestaanden. Die gedachte vond steun bij een (lichte) meerderheid van de personen die werkzaam zijn in de personenschaderegeling (zie Stelling I in kader).
Frank Reijnen (Cunningham Boschman) memoreerde dat immateriële schade nu weliswaar beperkt blijft tot de gewonde zelf, maar dat in de praktijk ook anderen hiermee worden geconfronteerd. “Voor mij staat vast, dat het verdriet om het ongeluk van een ander in veel gevallen belangrijker en ingrijpender is dan de directe financiële gevolgen. Als personenschade-expert beleef ik dat in de huidige schaderegeling, met name in gezinssituaties, deze belangrijke immateriële aspecten niet kunnen worden geadresseerd en dat het schadevergoedingsrecht op dit punt tekortschiet.”
Reijnen zei zich dan ook aan te sluiten bij degenen die pleiten voor vergoeding van zuivere affectieschade voor naasten; al zou hij dit – met het oog op de praktische uitvoerbaarheid – willen beperken tot nabestaanden van een overledene. En bovendien volgens objectieve normen, te meer daar bij letselschadegevallen zowel het vaststellen van het recht op vordering als de omvang hiervan in zijn ogen veel bezwaren met zich meebrengt.
Blijvende invaliditeit
August Van (Sap De Witte Roth Advocaten) wil duidelijk verder gaan. “Het is toch te gek voor woorden dat we wel bereid zijn smartengeld uit te keren als een kind door een ongeval is overleden, maar niet als het zwaar gewond is geraakt. Ik realiseer me terdege dat dit een aantal praktische problemen oproept: zoals in welke gevallen keren we schadevergoeding uit, tot welke bedragen en wie komen daarvoor in aanmerking? Maar ik vind niet dat ze een vergoeding van affectieschade in de weg kunnen staan, mits we komen met duidelijke oplossingen en regels: hard and fast rules.”
In zijn ogen is blijvende invaliditeit een minimale voorwaarde voor recht op vergoeding van affectieschade, mits deze een weerslag heeft op de kwaliteit van de relatie tussen slachtoffer en zijn naasten. Voorts pleit hij voor een limitatieve opsomming in de wet van personen die zonder enig bewijs voor een smartengeldvergoeding in aanmerking komen en voor een soort ‘hardheidsclausule’ voor andere personen in de omgeving van het slachtoffer die aannemelijk kunnen maken dat ook zij affectieschade hebben geleden.
Volgens Van zijn twee factoren bepalend voor de hoogte van het smartengeld voor anderen dan de gewonde zelf: de aard van de affectieve relatie (“het maakt verschil uit of je partner, kind, broer of zus letsel oploopt of zelfs overlijdt”) en de ernst van het letsel. “Hoe erger het letsel, des te hoger de smartengeldvergoeding voor de geleden emotionele schade. De meest simpele manier om dit tot uitdrukking te brengen, is de hoogte van de vergoeding van affectieschade afhankelijk te maken van de hoogte van het smartengeld van het slachtoffer. Gewoon een vast percentage dus: bijvoorbeeld 50% voor partners en 25% voor kinderen. Ouders die te maken hebben met een ernstig gewond kind moeten daar bovenuit komen. Aan hen zou ik behalve die 50% een extra ‘kindsdeel’ willen geven: in totaal 75%.”
Binnen één gezin
Jacqueline Meyst-Michels (Houthoff Buruma Advocaten) verdedigde de stelling (zie Stelling II), dat als een van de gezinsleden aansprakelijk is voor de personenschade dit een matigende invloed op de vergoedingsplicht mag hebben. Zij gaf aan dat hulp in en rond het huis het gehele gezin ten goede komt, dus ook het voor de schade aansprakelijke gezinslid. Daarom is een evenredige matiging volgens haar terecht.
Zij verwees daarbij onder meer naar Boek 1 van het BW (art. 81), op grond waarvan echtgenoten gehouden zijn elkaar trouw, zorg en hulp te bieden. “Daaronder kan natuurlijk ook huishoudelijke hulp worden verstaan. Is het redelijk om deze verplichting zonder meer opzij te zeggen, omdat het betreffende gezin een avp-verzekering heeft? Ik vind van niet. Waarom moet dit altijd in het nadeel van de aansprakelijkheidsverzekeraar worden uitgelegd? En waarom kan dit ook niet eens een matigende werking hebben op de schade-uitkering, afhankelijk van de omstandigheden van het geval?”
Volgens opponent Jan Houkes (Houkes c.s. Letselschade Advocaten) leidt het invoeren van het gezinsrisico in de schaderegeling tot ‘middeleeuwse toestanden’, onder meer omdat het gezin zo langzamerhand allang niet meer als hoeksteen van de samenleving kan worden gezien. Hierdoor is het zijns inziens niet mogelijk voor de schadevergoeding een betrouwbare maatstaf te ontwikkelen.
Bovendien spreekt hij van een juridische onjuistheid: de familierechtelijke relatie behoort volgens hem in het schadevergoedingsrecht geen rol (meer) te spelen. “Indien er onderscheid ontstaat in de schadevergoeding wanneer de veroorzaker een ander gezinslid is of een buitenstaander, dan is dat in feite discriminatie, in strijd met het belang van het slachtoffer en niet in overeenstemming met de rechtsontwikkeling.”
Concreet of abstract?
Piet van der Nat (Van der Nat Litigation) verdedigde de stelling dat bij claims die worden ingediend door gezinsleden van een benadeelde het beginsel van concrete schadevergoeding moet gelden (Stelling III).
Van der Nat zei voor personenschades het systeem van abstracte schadeberekening niet geschikt te achten, omdat anders dan bij zaakschades de waarde en het reparatiebedrag niet objectief kunnen worden vastgesteld. “De vraag of personenschade wordt geleden en de omvang daarvan, wordt voor een niet onbelangrijk deel door subjectieve factoren bepaald, zoals het herstelvermogen van betrokkene, zijn aanpassingsvermogen, veerkracht, karakter en persoonlijke omgeving. Een schade waarvan de omvang voor een groot deel door subjectieve factoren wordt bepaald, laat zich dan ook niet abstract berekenen.”
Maarten Tromp van het gelijknamige advocatenkantoor hield daarentegen een pleidooi voor een abstracte schadeberekening. Verwijzend naar eerdere jurisprudentie, zei hij dat een abstracte schadeberekening tot een minimumbedrag leidt. “Indien de benadeelde in werkelijkheid meer schade heeft geleden, behoudt hij het recht op vergoeding van deze concrete schade. Kortom, de stelling moet in feite worden omgedraaid: in principe abstract, tenzij de concrete schade hoger is.”
Rolwisseling
Wim Luiten (Stadermann Luiten Advocaten) gaf een bevestigend antwoord op de vraag of het bij de bepaling van de behoefte aan hulp redelijk is om rekening te houden met de mogelijkheden om de schade te beperken door wisseling van taken (Stelling IV). “In de schaderegeling gaat redelijkheid boven alles. Dat geldt ook voor de bepaling van de behoefte aan huishoudelijke hulp.” Waaraan hij overigens wel toevoegde dat de schaderegeling moet aansluiten bij hetgeen betrokkenen zelf als redelijk ervaren. “Wanneer man en vrouw het min of meer vanzelfsprekend vinden dat zij na een letsel van de één van rol en taken wisselen, dan zullen zij het niet onredelijk vinden indien hiermee bij de schadevergoeding rekening wordt gehouden. Maar wanneer bijvoorbeeld de man een grondige afkeer heeft van het huishouden en dat in het verleden ook nooit deed, dan kan je aan de andere kant een dergelijke rolwisseling vermoedelijk ook niet van hem eisen.”
Ook Ron Sleeuw (Sleeuw & van der Veen Advocaten) stond stil bij de vraag wat van een slachtoffer in alle redelijkheid aan schadebeperkende initiatieven mag worden verwacht. Een wisseling van taken is daarbij volgens hem niet aan de orde. “Schadebeperking door een wisseling van taken komt toch weer neer op de kosteloze inzet van buitenstaanders. Schadeafwikkeling wordt dan schadeafwenteling.”
Jacqueline Meyst-Michels: “Hulp in het rond het huis komt het gehele gezin ten goede”.
Wim Luiten: “Wanneer bijvoorbeeld de man in het verleden niets in het huishouden deed, kun je een rolwisseling vermoedelijk niet eisen”.
De stellingen
In de (voorafgaande) schriftelijke enquête over de stellingen van de PIV-conferentie konden de respondenten bij elke stelling antwoorden via cijfers variërend van 1 (volledig eens) tot 10 (volledig oneens). In onderstaand overzicht hebben wij ons om praktische redenen beperkt tot weergave van de percentages zeer uitgesprokenen en de twijfelaars (eens noch oneens).
Stelling I: Indien de Nederlandse wetgever zou besluiten de kring van smartengeldgerechtigden uit te breiden, dan dient de uitbreiding beperkt te blijven tot bepaalde nabestaanden van een overledene.
Volledig eens eens noch oneens volledig oneens
Belangenbehartigers benadeelden: 12,12% 6,07% 45,45%
Belangenbehartigers aanspr.verzekeraars: 68,66% 4,48% 7,46%
Zij die voor beide groepen werken: 34,78% 30,43% 17,39%
Stelling II: Indien één van de gezinsleden aansprakelijk is voor de personenschade van een ander gezinslid, dan heeft dit een matigende invloed op de vergoedingsplicht voor hulp in en rond het huis, ook al is er een aansprakelijkheidsverzekeraar die de schade vergoedt.
Volledig eens eens noch oneens volledig oneens
Belangenbehartigers benadeelden: 3,00% 9,07% 54,33%
Belangenbehartigers aanspr.verzekeraars: 19,40% 17,92% 19,40%
Zij die voor beide groepen werken: 21,74% 21,74% 26,08%
Stelling III: Voor vorderingen van gezinsleden van benadeelden geldt het beginsel van de concrete schadevergoeding. Slechts in uitzonderingsgevallen is een vergoeding op abstracte basis redelijk.
Volledig eens eens noch oneens, volledig oneens
Belangenbehartigers benadeelden: 3,00% 6,07% 39,40%
Belangenbehartigers aanspr.verzekeraars: 28,36% 17,91% 2,98%
Zij die voor beide groepen werken: 13,04% 13,04% 13,04%
Stelling IV: Bij de bepaling van de behoefte aan hulp in en rond het huis is het redelijk om rekening te houden met de mogelijkheden om de schade te beperken door wisseling van taken.
Volledig eens eens noch oneens volledig oneens
Belangenbehartigers benadeelden: 3,00% 21,27% 30,29%
Belangenbehartigers aanspr.verzekeraars: 38,80% 13,44% 4,48%
Zij die voor beide groepen werken: 21,73% 17,38% 17,40%
Elke laatste vrijdag in maart
De PIV-jaarconferentie wordt een jaarlijks terugkerende gebeurtenis en zal telkens op de laatste vrijdag van maart worden gehouden. Dat maakte bestuursvoorzitter Anton Wiechmann bekend tijdens de eerste bijeenkomst op 30 maart. Doel is vakgenoten in staat te stellen met elkaar van gedachten te wisselen over actuele onderwerpen op het gebied van personenschade, aansprakelijkheid en verzekering.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.