nieuws

Commissie van Arbitrage ‘Motor’ trekt teugels aan

Archief

Als autoverzekeraars een geschil willen voorleggen aan de Commissie van Arbitrage van de Afdeling Motorrijtuigen van het Verbond van Verzekeraars, moeten ze dat wel tijdig doen en daarbij ook de procedurele vereisten in acht nemen. Dit komt naar voren uit de onlangs gepubliceerde Uitspraak 31/99 van genoemde commissie.

Op 19 april 1996 wordt de auto van A, rijdend op rijksweg A16, aangereden door B, die in dezelfde richting rijdt. Als gevolg van deze aanrijding verliest A de controle over zijn auto, raakt op een andere rijstrook en wordt daar aangereden door ene S.
De verzekeraar van A vergoedt in november 1996 de door S geleden schade, maar wil dat bedrag vervolgens verhalen op de verzekeraar van B. Daartoe stuurt hij op 24 september 1997 een brief aan de verzekeraar van B. De verzekeraar van A onderbouwt zijn claim met de stelling dat S heeft te gelden als ‘schuldloze derde’, zoals bedoeld in de Bedrijfsregeling nr. 7 van de georganiseerde autoverzekeraars.
In zijn antwoord tot arbitrage voert verzekeraar B – zakelijk weergegeven – primair aan, dat verzekeraar A te laat is met zijn verhaalsactie.
B is het ook niet eens met de stelling dat S moet worden gezien als een ‘schuldloze derde’. B acht het niet onaannemelijk dat S onvoldoende afstand heeft gehouden dan wel onvoldoende adequaat heeft gereageerd op de aanrijding die hij voor zich zag gebeuren.
Anderhalf jaar later
De arbitragecommissie overweegt, op grond van het proces-verbaal, dat aannemelijk is dat S geen schuld treft. De commissie stelt ook vast, dat verzekeraar A in strijd met de strekking van de Bedrijfsregeling nr. 7 heeft gehandeld door eerst per brief van 24 september 1997 (dat is ongeveer anderhalf jaar ná de schadedatum) aan verzekeraar B kennis te geven van het schadegeval.
Daarom oordeelt de commissie, dat een beroep op de participatieregeling ex artikel 3 van de betrokken Bedrijfsregeling in dit geval niet alleen ‘laattijdig’ is, maar ook in strijd met de geest van de regeling. Bovendien merkt de commissie op, dat de participatieregeling slechts voorziet in een voorlopige voorziening van de schade naar evenredigheid van het aantal betrokken verzekeraars (tenzij overeenstemming is bereikt omtrent een andere wijze van verdeling), zodat een vordering tot volledige vergoeding van de uitgekeerde schade niet door de regelend verzekeraar kan worden gegrond op Bedrijfsregeling nr. 7.
Directie
Vervolgens wil de arbitragecommissie nog een procedurele noot kraken. Er wordt op gewezen, dat het sinds de aanpassing van het reglement van de commissie (per 23 juni 1998) vereist is, dat het verzoek tot arbitrage en het antwoord in arbitrage worden ondertekend door een lid van de directie. Aan dit vereiste was in dit geval door geen van beide verzekeraars voldaan.
De commissie wilde het deze keer, na contact met de betrokken verzekeraars, nog door de vingers zien, maar “hecht er wel aan dat bij toekomstige aan de commissie voor te leggen geschillen uit de overgelegde stukken voldoende blijkt dat aan dit vereiste is voldaan”.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.