nieuws

CAR-verzekering

Archief

Beschadiging van het werk. Bij de bouw van bedrijfshallen wordt een betonvloer gestort die monoliet moet worden afgewerkt. Wanneer de vloer is gestort en 60% van de vloer monoliet is afgewerkt, gaat het tegen de weersverwachtingen in regenen. Voor zover de vloeren zijn afgewerkt, gaat de afwerking door de regen teniet. Voor zover de vloeren niet zijn afgewerkt, is dat na de regenval niet meer mogelijk. De schade wordt onder de CAR-verzekering geclaimd, maar de verzekeraar weigert de schade te vergoeden omdat er geen sprake is van beschadiging van het werk.

Het standpunt van de verzekeraar komt erop neer dat alleen een gave vloer beschadigd kan worden, maar zo’n gave vloer was ten tijde van de regen nog niet tot stand gekomen. De rechtbank oordeelt het standpunt van de CAR-verzekeraar onjuist. Voor zover de vloer al wel monoliet is afgewerkt, is die beschadigd doordat de afwerking met een toplaag teniet is gedaan. Voor zover de vloer nog niet is afgewerkt, is er ook sprake van beschadiging. De verzekeraar miskent – aldus de rechtbank – dat het bouwproces van een vloer als de onderhavige een dynamisch proces is. Eerst wordt een basisvloer gelegd die als eigenschap moet hebben dat daarna een bewerking kan plaatsvinden, waarbij de vloer van een toplaag wordt voorzien. Die basisvloer is beschadigd, doordat de eigenschap van de basisvloer, namelijk vatbaar zijn voor het aanbrengen van de toplaag, verloren is gegaan.
In hoger beroep bevestigt het Hof dit vonnis. Het Hof overweegt dat de voorwaarden een ruime omschrijving geven van “het werk”. Daaronder worden niet alleen begrepen de te bouwen hallen, maar ook alle voor het werk bestemde materialen, bouwstoffen, constructies en dergelijke. De onafgewerkte vloer moet worden aangemerkt als een bouwstof voor de monolietvloer. Kort voor de regenval had de basisvloer een zodanige samenstelling dat deze geschikt was voor monolietafwerking. Op dat moment was dit deel van het werk voltooid en geschikt voor vereniging met de stoffen nodig voor de monolietafwerking. Door de regenval is de structuur zodanig gewijzigd dat monolietafwerking niet meer mogelijk was. Dit ondeugdelijk worden moet beschouwd worden als een vorm van beschadiging. (W.L.)
CAR-verzekering. Materiële schade.
Tussen een verzekerde en de verzekeraar zijn herhaaldelijk geschillen gerezen over de verzekeringsdekking voor schade in verband met het aanbrengen van monoliet afgewerkte betonvloeren. Zij besluiten een algemeen geformuleerde vraag aan arbiters voor te leggen. Zij leggen aan arbiters de volgende situatie voor.
De vloer is gestort en de betonspecie is opgesteven. Met het vlinderen (mechanisch schuren) is een aanvang gemaakt. Dan gaat het zo hard regenen dat het regenwater niet voldoende kan worden verwijderd. Uit de toplaag spoelt cement uit. Het inschuren van de slijtvaste laag kan niet worden gerealiseerd en het vlinderen levert niet een voldoende gladde vloer op. Aan arbiters wordt de vraag voorgelegd of dan sprake is van materiële schade in de zin van de polis.
Twee arbiters zijn van oordeel dat er geen sprake is van materiële schade. Van beschadiging van een zaak kan naar het oordeel van deze arbiters slechts sprake zijn zodra en zolang deze zaak in het bouwproces een zelfstandige functie vervult en als zodanig een eigen zelfstandige identiteit heeft. Onderdelen die uit bouwstoffen en bouwmaterialen in het werk worden gemaakt, kunnen als te beschadigen interessen worden erkend zolang en zodra zij een zelfstandige functie in het werk hebben. De vloer bereikt deze hoedanigheid pas op het moment waarop deze bouwtechnisch af is. Het probleem met de vloer is derhalve te kenschetsen als een mislukking van het bouwproces en niet als een materiële schade.
Arbiters geven er in hun overwegingen blijk van kennis genomen te hebben van het hiervoor genoemde arrest van het Hof Arnhem. Zij oordelen dit arrest niet juist, omdat het Hof ten onrechte als uitgangspunt heeft genomen dat de monolietvloer als het ware twee ontstaansfasen kent. Dit uitgangspunt is niet juist. In de fase waarin de uitspoeling plaatsvindt, is er nog geen zaak en dus is er ook geen zaaksbeschadiging.
Een van de drie arbiters geeft een afwijkend oordeel. Volgens deze arbiter is er geen reden onderdelen van het werk tijdens de wordingsfase anders te benaderen dan onderdelen die klaar zijn. De polis biedt geen aanknopingspunten voor zo’n onderscheid. Het waterig worden van de bovenlaag valt te kwalificeren als beschadiging. De structuur van de bovenlaag (de menging van zand, cement en water) wordt door het regenwater aangetast. Doel en strekking van de CAR-verzekering brengt met zich dat zulke schades zijn gedekt. (W.L.)
Asbestose. Bekendheid werkgever met het gevaar.
1996 nr 98
Een werknemer is in de jaren ’60 en begin jaren ’70 op zijn werk blootgesteld geweest aan asbest. Hij komt op enig moment te lijden aan een mesothelioom en spreekt zijn werkgever in kort geding aan tot betaling van een voorschot op de smartegelduitkering. De President van de rechtbank wijst de vordering af, omdat niet met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat de bodemrechter de vordering zal toewijzen. De werknemer overlijdt tijdens het hoger beroep. De eerste vraag die dan opkomt, is of de erven er een voldoende spoedeisend belang bij hebben om in een kort geding betaling te vorderen. Naar het oordeel van het Hof hebben ook de erfgenamen een voldoende spoedeisend belang bij een voorschot op het aanzienlijk bedrag dat wordt gevorderd.
De werkgever verweert zich met de stelling dat voldoende maatregelen zijn getroffen om de werknemers te beschermen. Nadat bekend werd dat inademing van asbestdeeltjes asbestose tot gevolg kan hebben, heeft de werkgever vele maatregelen getroffen om werknemers tegen dit gevaar te beschermen. Kennelijk waren deze maatregelen voldoende omdat sedertdien geen gevallen van asbestose meer zijn geconstateerd. De werkgever gaat er daarbij vanuit dat ter voorkoming van mesothelioom met dezelfde voorzieningen kan worden volstaan als ter voorkoming van asbestose, omdat beide ziektes een gevolg zijn van inademing van asbestdeeltjes. Het Hof laat dit argument in het midden en beslist dat, als de voorzieningen op zich voldoende zouden zijn geweest, de werkgever toch tekortgeschoten is, omdat gebleken is dat de voorzieningen in de praktijk onvoldoende werden benut en de werkgever onvoldoende toezicht heeft gehouden op de naleving van de veiligheidsinstructies. De werkgever wijst erop dat het werkelijk afdwingen van naleving van de veiligheidsmaatregelen in de praktijk niet mogelijk was, maar dit verweer wordt verworpen. Onwilligheid of onverschilligheid van het personeel ontslaat de werkgever niet van zijn verplichting al het nodige te doen. De werknemer heeft van 1960 tot 1973 bij de werkgever gewerkt. Gelet op hetgeen omtrent de incubatietijd van mesothelioom bekend is, wordt het causaal verband aangenomen tussen het tekortschieten van de werkgever en het ontstaan van de ziekte. Nu een opvolgende werkgever al f 75.000 heeft betaald, volstaat het Hof met toewijzing van een voorschot van f 75.000. (W.L.)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.