nieuws

Brancheorganisaties pleiten voor tussentijds toetsen bemiddelaar

Archief

Brancheorganisaties pleiten voor tussentijds toetsen bemiddelaar

Er moet bij één toezichthouder één register komen voor alle financiële dienstverleners en deze dienstverleners moeten periodiek op deskundigheid en integriteit worden getoetst. Dat is de algemene teneur van de reacties die bij het ministerie van Financiën zijn ingediend door de relevante belangenorganisaties, in reactie op de door het ministerie opgestelde Consultatienota ‘Bemiddeling in financiële diensten’.
Dat de Consumentenbond warm voorstander is van aanscherping van het toezicht, mag geen verrassing zijn, maar ook de meeste brancheorganisaties zijn daar in hun reacties vrij duidelijk in.
De Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) en de Vereniging van Financieringsondernemingen in Nederland (VFN) stellen in hun gezamenlijke reactie, dat zij voorstander zijn van een eenvoudig (en door eenieder te raadplegen) systeem van registratie. Ook willen zij een verplichte aansluiting van de bemiddelaar bij een klachteninstituut.
Het Verbond van Verzekeraars stelt: “De combinatie van registratie en toezicht in één hand lijkt niet alleen mogelijk, maar ook wenselijk.” Voorts bepleit het Verbond een meldingsplicht voor tussenpersonen ten aanzien van door hen ingeschakelde subagenten.
De NVA wijst op toetsing van de integriteit van de bemiddelaar bij de inschrijving in het SER-register. “Daarna is er nauwelijks sprake van een actieve controle op integriteit. Dat zou anders moeten”, oppert de NVA, die elders in haar reactie opmerkt: “Ook tijdens de bedrijfsvoering zou de directie en het personeel dat zich bezighoudt met assurantiebemiddeling regelmatig moeten worden gescreend”.
De NBVA pleit onder meer voor periodieke controle van het nakomen van de (in te voeren) beroepsaansprakelijkheidsverplichting en het aangesloten zijn bij de Stichting Klachteninstituut Verzekeringen.
NVF (Nederlandse Vereniging van zelfstandige onafhankelijke Financiële dienstverleners) stelt in haar summiere commentaar op de consultatienota, dat de toelatingseisen verzwaard mogen worden. “Iedereen zou lid moeten worden van de NVF.” Verder is de vereniging ook voorstander van centrale registratie van alle bemiddelaars in financiële diensten.
Deskundigheid
Over de deskundigheid van de bemiddelaars merkt de Consumentenbond op, dat “het niet zo kan zijn, dat een bemiddelaar op basis van een eenmaal gevolgde opleiding tot in lengte van jaren als ‘deskundig’ kan worden aangemerkt. Er zullen dan ook programma’s voor bijscholing (permanente educatie) dienen te zijn. Verder moet worden geregeld, en er op worden toegezien, dat de natuurlijke personen en niet de bedrijven voor de betreffende werkzaamheden gekwalificeerd zijn”.
Het is de bond een doorn in het oog, dat de ‘deskundigheidseis’ momenteel alleen aan feitelijk leiders wordt opgelegd. “Dat vervolgens in een heel callcenter niet of inadequaat opgeleide mensen aan het werk mogen, blijkt in de praktijk.”
De visie van de Consumentenbond wordt in grote lijnen gedeeld door het Verbond van Verzekeraars. “Probleem is dat vakbekwaamheid uitsluitend wordt getoetst bij inschrijving in het SER-register, niet ‘tijdens de rit’. De markt en de aangeboden producten en diensten worden echter in toenemende mate complex en zonder bij- c.q. nascholing verliest de tussenpersoon snel de greep op de materie”, aldus het Verbond. “Wij kunnen ons goed voorstellen dat de toezichthouder handhaving van de SER-inschrijving zou koppelen aan het periodiek deelnemen aan nascholingscursussen.” Voorts merkt het Verbond op: “Ten aanzien van de bemiddeling in financieringen en (als cliëntenremisier) in beleggingsproducten zou het (via zelfregulering) instellen van vakbekwaamheidseisen nuttig zijn”.
NVB en VFN wijzen er in hun reactie op, dat dit laatste niet tot vertraging zou moeten kunnen leiden. “Invoering van een centrale registratie van bemiddelaars zou niet afhankelijk moeten worden gesteld van de introductie van deskundigheidseisen in die sectoren waar deze nog niet gelden”, aldus NVB en VFN.
Vergunningensysteem
De Consumentenbond pleit voor een systeem waarbij een (natuurlijk) persoon vergunning krijgt om werkzaamheden te verrichten na het volgen van een opleiding en die vergunning houdt door aan te tonen dat er regelmatig programma’s van bijscholing worden gevolgd. “Daarbij zal een uitsplitsing moeten worden gemaakt naar diverse specialisatiegebieden, waardoor de nu bestaande situatie voorkomen wordt dat iemand met een diploma ‘Assurantie B’ zich zonder meer mag profileren als hypotheek- of pensioenadviseur (en dus te maken heeft met allerlei gecompliceerde juridische, fiscale en economische aspecten).”
Voor het beoogde vergunningensysteem trekt de Consumentenbond een vergelijking met het voor verzekeraars geldende systeem van vergunningen voor de diverse branches. Voor de financiële bemiddelaars kan volgens de bond worden gedacht aan een onderverdeling in de vakgebieden zoals die in de sfeer van de financiële planning wordt gehanteerd:
– sparen en beleggen;- levensverzekeringen en pensioen;- schadeverzekeringen;- (hypothecaire) financieringen.Het Verbond van Verzekeraars hierover: “Wat goed mogelijk zou zijn, is een modulair certificeringssysteem dat is afgeleid van de wijze waarop in de Wabb de gevolmachtigd agent wordt behandeld: een bemiddelaar die in een bepaald soort product wil bemiddelen, moet dan eerst het betreffende deelcertificaat behalen. Ook in de bankwereld (Nibe-SVV-cursus) bestaat een soortgelijk systeem.
Het voordeel van een dergelijk systeem is dat het vrij eenvoudig zodanig kan worden ingericht dat een basiscursus ‘financiële dienstverlening’ zou kunnen worden voorzien van een assurantiebemiddelingsmodule, een financieringsmodule, een module beleggingsfondsen (opleidend tot cliëntenremisier), et cetera.” Dit alles zou niet vrijblijvend moeten zijn. “Idealiter zou het volgen van bijscholing bij wijze van stok achter de deur een voorwaarde zijn voor handhaving van bijvoorbeeld de inschrijving als assurantietussenpersoon in het SER-register”, aldus het Verbond.
De NBVA zegt over permanente educatie (PE): “Het valt te overwegen of er een vorm van een wettelijk kader (bijvoorbeeld door middel van co-regulering) kan worden geschapen, waarbij de niet georganiseerde tussenpersonen dezelfde PE-verplichting krijgen als de leden van de NBVA en de NVA”.
Commercieel consumentisme
“Consumentenorganisaties zoals de Consumentenbond en de Vereniging Eigen Huis spelen een belangrijke rol bij het doorzichtig maken van de markt voor de consument. Daarnaast treden deze organisaties in toenemende mate op als aanbieder (bemiddelaar) van – ook financiële – diensten. Dit laatste geldt ook voor andere organisaties zoals vakbonden en inkoop- of voordeelorganisaties van consumenten die kortingen bedingen bij aanbieders. Beide aspecten komen niet naar voren in de nota.”
(NVB en VFN in hun reactie op de Consultatienota ‘Bemiddeling in financiële diensten’).
Nep-vergelijking “Bij de paragraaf over internet zou naar onze mening niet mogen ontbreken dat het de consument veelal onduidelijk zal zijn of een ‘vergelijkingssite’ nu echt een objectieve site is of een distributiekanaal van slechts een beperkt aantal bij deze site betrokken (en daarvoor waarschijnlijk betalende) aanbieders. Ook het internationale aspect van internet, waardoor Nederlandse regelgeving en zelfregulering kan worden omzeild, wordt onvoldoende belicht.”
(NVB en VFN in hun reactie op de Consultatienota ‘Bemiddeling in financiële diensten’).
SER zeer verbaasd over vermeende terughoudendheid bij doorhalingen
De afdeling Vestigingswetten van de SER is zeer verbaasd over uitlatingen van de NVA en het Verbond van Verzekeraars over haar veronderstelde terughoudendheid op het vlak van doorhaling van ‘foute’ tussenpersonen.
De kritiek op de traagheid van de SER is neergelegd in de reacties van NVA en Verbond op de Consultatienota ‘Bemiddeling in financiële diensten’ die begin juni door Financiën aan de belangengroepen in de financiële dienstverleners is voorgelegd.
De NVA stelt: “De SER zou minder terughoudend moeten omgaan met de middelen die haar ter beschikking zijn gesteld om malafide assurantiebemiddelaars uit de branche te weren. De SER beschikt met het doorhalingsinstrument ten aanzien van tussenpersonen die het aanzien van het intermediair of de verzekeringsbedrijfstak schaden, over een inzetbaar wapen. Maar in de praktijk wordt hiervan nagenoeg geen gebruik gemaakt”.
Het Verbond vindt eveneens dat de SER zeer terughoudend is. “Men wacht ten onrechte op veroordeling, daarmee verzekeraars de mogelijkheid onthoudend de assurantieportefeuille in eigen beheer te nemen.”
‘De plank mis’
“Het Verbond van Verzekeraars slaat hier de plank mis”, reageert Harry de Meij, hoofd van de afdeling Vestigingswetten van de SER. “Wij starten wel degelijk direct een doorhalingsprocedure, zodra wij weten van strafrechtelijke vervolging. Het is echter juist opvallend hoe weinig fraudezaken er door verzekeraars bij ons worden gemeld.”
De Meij stelt dat de SER zich bij de besluitvorming baseert op eigen onderzoek, vaak ook op onderzoek van de Economische Controledienst en op de processen-verbaal die van het Openbaar Ministerie worden verkregen. “Bij zo’n onderzoek komen veelal voorafgaand aan een strafrechtelijke veroordeling bepaalde feiten vast te staan. De betrokken tussenpersoon kan bijvoorbeeld bepaalde gelden (premie, schade-uitkeringen) niet verantwoorden terwijl de rechthebbende op deze gelden daarvan in ieder geval niet in het bezit is gesteld. Of er zijn bijvoorbeeld door de tussenpersoon valselijk opgemaakte documenten aangetroffen.”
Bij een doorhaling op grond van ‘schending standseer’ in gevallen waarin van gedrag sprake is dat ook in strafrechtelijke zin laakbaar is, maakt de SER vaak al gebruik van zijn autonome bevoegdheid om tot doorhaling van een registerinschrijving over te gaan, vóórdat in strafrechtelijke zin de zaak ‘voltooid’ is. “Deze werkwijze heeft de toets van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven doorstaan”, voegt hij eraan toe.
Privaatrechtelijk
Voorts is het niet ondenkbaar dat ook gedragingen die vallen buiten het gebied van ‘strafwaardig gedrag’ schending van het aanzien van de stand der tussenpersonen met zich brengen. De Meij erkent dat het voor de SER in die situaties veelal niet eenvoudig zal zijn om vast te stellen dat er sprake is van ‘absoluut onjuiste adviezen’ of ‘onzorgvuldig gedrag’.
Dit zal dan in de eerste plaats door de burgerlijke rechter moeten worden getoetst. “Eerst nadat bij herhaling de rechter heeft vastgesteld dat vorderingen van belanghebbenden uit onrechtmatige daad of wanprestatie toegewezen moeten worden, kan worden bezien of de betrokken tussenpersoon het aanzien van de stand der tussenpersonen schaadt. Anders gezegd: er moet aantoonbaar méér aan de hand zijn dan het gemaakt hebben van beroepsfouten, zelfs bij herhaling.”
Wie ‘tipt’ de SER?
Het komt voor dat een consument zich rechtstreeks tot de SER wendt of dat een door hem gekozen nieuwe tussenpersoon de zaak aankaart. Het kan ook gaan om een tussenpersoon als concurrent of om een verzekeraar die een verzoek tot doorhaling indient. Ook kan de SER zelf in actie komen op grond van informatie over justitieel onderzoek dat De Meij’s registratiebureau bereikt via opsporingsambtenaren, het ministerie van Financiën of publicaties in nieuwsmedia. Kortom: De Meij bestrijdt ten stelligste dat de SER een afwachtende houding inneemt. Evenmin is er op dit vlak sprake van een te grote werkdruk. De Meij blijft erop hameren: “Van de twintig situaties waarin wij een doorhalingsprocedure zouden kunnen starten, zijn wij er maar in twee gevallen van op de hoogte gesteld”.
Deze opvatting spoort met de reactie van NVB en VFN op de vraag in de ministeriële consultatienota ten aanzien van het ‘zelfreinigend vermogen van de markt’. NVB en VFN stellen: “Het commerciële korte-termijndenken prevaleert vaak, waardoor de aanbieder de relatie niet verbreekt met een ‘commercieel interessante’ bemiddelaar die de regels overtreedt, of, als hij dat wel doet, daarover zijn collega’s niet informeert. Aangifte bij de politie vindt soms uit commerciële overwegingen niet plaats, soms uit gebrek aan vertrouwen in het opsporings- en vervolgingsbeleid van ECD, politie en OM.” Zij voegen eraan toe: “Onregelmatigheden of tuchtrechtelijke sancties in de ene sector hebben in de praktijk geen gevolgen voor de bemiddelaar in andere sectoren waarin deze werkzaam is. Dat zou onder een centrale registratie anders moeten zijn”.
‘Veel blijft liggen’
Het Verbond van Verzekeraars laat toch een wat ander licht op de fraudematerie schijnen. Verzekeraars hebben volgens het Verbond als beleid dat bij geconstateerde fraude aangifte wordt gedaan bij de ECD c.q. Justitie. “Daarvan zou een preventieve werking moeten uitgaan, maar helaas laat de opvolging van gedane aangiftes het nodige te wensen over. Als gevolg van werkdruk en prioriteit bij ECD en Justitie blijven te veel zaken liggen. De bewaking van de integriteit binnen de branche zou zeer gediend zijn met een adequaat en efficiënt opsporings- en vervolgingsbeleid.”
De NBVA betoogt, dat het ‘overgrote merendeel’ van de intermediaire branche uit volstrekt bonafide kantoren bestaat. “De neiging bestaat echter om de incidenten waarbij fraude wordt geconstateerd, buitenproportioneel op te blazen. Volgens de NBVA is er géén sprake van grootschalige frauduleuze praktijken of niet-integer gedrag in de branche van assurantiebemiddeling. De NBVA pleit dan ook voor terughoudendheid als het gaat om extra vormen van toezicht op dit gedragsaspect.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.