nieuws

Besluit Successiewet: premie geen huishoudkosten

Archief

Premies van levensverzekeringen worden voor de toepassing van de Successiewet 1956 niet aangemerkt als kosten van de huishouding, zo heeft het ministerie van Financiën besloten.

In het jongste besluit (VB/2000/394, van 29 februari 2000) stelt staatssecretaris Vermeend dat in de praktijk moeilijk het onderscheid is te maken of premies moeten worden aangemerkt als kosten van de huishouding, zoals bedoeld in artikel 1:84 van het Burgerlijk Wetboek. Om reden van duidelijkheid is besloten de premies daarom nooit aan te merken als kosten van huishouding, tenzij tussen echtgenoten (of geregistreerd partners of samenwoners) uitdrukkelijk anders is overeengekomen.
“Blijkens jurisprudentie en literatuur kan de vraag of premies van levensverzekeringen kosten van de huishouding zijn niet eenduidig met ‘ja’ of ‘nee’ beantwoord worden. Wel wordt algemeen aangenomen dat wanneer de verzekering is gesloten in het kader van oudedags- of nabestaandenvoorziening de premies kosten van de huishouding zijn, terwijl premies voor verzekeringen die als belegging zijn gesloten niet als kosten van de huishouding worden aangemerkt. Waar de scheidslijn ligt, is moeilijk te bepalen en dat leidt tot onzekerheid”, aldus de staatssecretaris.
“Ik acht het verschil in resultaat, dat voor de heffing van successierecht kan optreden al naar gelang premies al dan niet worden aangemerkt als kosten van de huishouding, niet redelijk. Daarom keur ik goed dat premies van levensverzekeringen voor de toepassing van de Successiewet 1956 niet worden aangemerkt als kosten van de huishouding.” Die uitspraak is van belang, omdat verkrijgingen krachtens levensverzekering die plaatsvinden ten gevolge van (of na) overlijden op grond van artikel 13 van de Successiewet 1956 worden gelijkgesteld met erfrechtelijke verkrijgingen, tenzij er ten behoeve van die verkrijging niets is onttrokken aan het vermogen van de overledene (de verzekerde).
“Voor alle duidelijkheid”, zo besluit Vermeend, “merk ik op dat de vraag of premies als kosten van de huishouding moeten worden aangemerkt, losstaat van de vraag of premies op grond van de huwelijksvoorwaarden of het samenlevingscontract gemeenschapsschulden zijn. Voor deze situatie geldt geen verdergaand goedkeurend beleid.”
Jurisprudentie
Onlangs heeft het Hof in Arnhem een uitspraak gedaan over vrijstelling van schenkingsrecht, in een zaak waarin kleinkinderen door expiratie van een lijfrenteverzekering onherroepelijk begunstigde werden.
Verzekeringnemer en premiebetaler A wijst op een in 1984 gesloten kapitaalverzekering met lijfrenteclausule in 1995 zijn kleinkinderen herroepelijk aan tot begunstigde. Dat jaar expireert de polis ook en wordt het kapitaal aan de kleinkinderen uitgekeerd, zonder uitvoering van de lijfrenteclausule. Volgens het Hof is schenkingsrecht van toepassing op de aanspraak en inkomstenbelasting op de uitkering(en).
De redenatie is: “Niet is gebleken dat de lijfrenteclausule vóór de expiratiedatum is herroepen. Belanghebbenden hebben dus op het moment dat de begunstiging onherroepelijk werd een recht op periodieke uitkeringen verkregen, dat onderworpen is aan schenkingsrecht. Daarnaast is inkomstenbelasting verschuldigd op grond van artikel 5 en 25. In art. 25 wordt als periodieke uitkering mede aangemerkt al hetgeen wordt genoten met betrekking tot een recht op zodanige periodieke uitkering ter zake van afkoop, vervreemding of onherroepelijk worden van de begunstiging.”
“Het recht zelf is dus belast met schenkingsrecht en de opbrengst van dat recht met inkomstenbelasting. De vrijstelling is niet van toepassing.” (nr. 96/01580)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.