nieuws

Beroepscommissie: niet altijd premieopslag voor onverzekerde

Archief

Een verzekerde die moest overstappen op een standaardpakketpolis, vocht bij de Beroepscommissie met succes een premietoeslag van 100% aan die de verzekeraar hem wilde berekenen.

De verzekerde was wegens wanbetaling geroyeerd op zijn maatschappijpolis. Negen maanden later vroeg hij bij de verzekeraar een standaardpakketpolis aan. De verzekeraar accepteerde de man onder de voorwaarde dat gedurende een periode van drie jaar een premieopslag van 100% zou worden betaald. De verzekeraar handelde hierbij volgens artikel 7, tweede lid, van de WTZ. Volgens dit artikel dient een verzekeraar een premieopslag in rekening te brengen “indien de verzekerde direct voorafgaand aan het ingaan van de standaardpakketpolis niet gedurende een aaneengesloten periode van zes maanden (ten tenminste de kosten van ziekenhuisverpleging) is verzekerd”. “Deze toeslag die gelijk is aan de toepasselijke maximumpremie, wordt gedurende een aaneengesloten periode van drie jaar na het sluiten van de overeenkomst berekend.”
De verzekerde
Bij de Beroepscommissie – het klachteninstituut voor standaard(pakket)polissen – betoogde de man dat hij ten tijde van zijn royement als gevolg van ziekte (en een kredietstop van zijn bank) in financiële problemen was geraakt. Uit een telefoontje met de verzekeraar had hij destijds begrepen dat de verzekering zou worden voortgezet nadat hij de achterstallige premie zou hebben betaald. Hij had betaald, maar werd vervolgens geroyeerd. “Het gevolg is een enorme premiestijging. Voor mijn maatschappijpolis betaalde ik maandelijks e 89, nu moet ik e 272 betalen. Dat is een verschil van e 183. Ik ben bang dat ik hierdoor opnieuw in financiële moeilijkheden kom.”
De Beroepscommissie
De Beroepscommissie vond dat artikel 7 terecht was toegepast, maar dat “enige nuancering” op zijn plaats was. De Beroepscommissie hield er rekening mee dat de verzekerde op grond van zijn telefoongesprek met de verzekeraar geen royement had verwacht nadat hij de achterstallige premie had betaald. Ook hield de Beroepscommissie er rekening mee dat het inkomen van de verzekerde door ziekte sterk was teruggelopen. “Gezien dit samenstel van factoren, en mede gelet op de persoon van eiser, is een onverkorte toepassing van artikel 7 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar in de zin van artikel 6:2 tweede lid van het BW.”
De Beroepscommissie besloot dat de 100%-opslag slechts zou gelden voor de periode van negen maanden, de periode waarin de man onverzekerd was geweest en dus ook geen premie had betaald. Dit betekende niet dat er alsnog een dekking was: de commissie oordeelde dat de medische kosten die de man in die periode had gemaakt voor zijn eigen rekening waren.
Beroepscommissie WTZ, zaaknr. 0326.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.