nieuws

‘Asbest’, OPS, RSI en wat volgt…

Archief

Er is de laatste tijd bijzonder veel aandacht voor beroepsziekten. Het grote aantal seminars waar een of meer ziektes behandeld worden, is daar een goed voorbeeld van. In dit artikel geven Rini Withagen, Ard Korevaar en Mark van Dijk van expertisebureau GAB Robins Takkenberg een overzicht van de stand van zaken bij beroepsziekten ‘Asbest’, OPS en RSI.

Beroepsziekten zijn niet nieuw. Reeds in de middeleeuwen wist men verband te leggen tussen het dagelijks handmatig schrijven van boeken door monniken en de zogenaamde schrijfkramp die hierdoor ontstond. In de vorige eeuw wist een Franse arts het verband te leggen tussen de opvallende gedragsveranderingen bij arbeiders van een rubberfabriek door het dagelijks werken met zwavelkoolstof. Er is ook al jarenlange bekendheid met de relatie tussen stoflongen en het werken in kolenmijnen.
Tot voor enkele jaren kregen de beroepsziekten uitsluitend aandacht vanuit de medische wetenschap. De kennis die hierdoor over beroepsziekten werd vergaard, werd zo mogelijk wel toegepast ter verbetering van de arbeidsomstandigheden.
Betrekkelijk nieuw is de relatie tussen een beroepsziekte en het indienen van een schadeclaim. Door het honoreren van dergelijke vorderingen, mede onder invloed van de rechterlijke macht, heeft het probleem inmiddels hoge prioriteit gekregen. Dit geldt te meer, omdat verzekeraars in het verleden onbekend waren met dergelijke risico’s, zodat daarmee geen rekening is gehouden in het acceptatiebeleid. Los van de letselschadebehandeling is het ook voor het toekomstig acceptatiebeleid van belang kennis te hebben over beroepsziekten.
Bij behandeling van letselschadesn worden verzekeraars in een groot aantal gevallen bijgestaan door externe expertisebureaus. Ook deze bureaus zullen in het kader van productinnovatie kennis moeten vergaren over beroepsziekten.
Stimulerende werking
Toch is de ‘hype’ hierdoor niet volledig verklaard. In feite verwachten alle deskundigen een enorme toename van het aantal schadeclaims. De reeds bekende argumenten hiervoor zijn het financiële gat tussen het huidige WAO-niveau en het oorspronkelijke salaris, de ontwikkeling van ‘slachtoffervriendelijke jurisprudentie’ in het kader van 7:658 BW en de stijgende claimbewustheid bij slachtoffers in het algemeen.
Een ander belangrijk aspect is de wettelijke vergoedingsplicht van de kosten van rechtshulpverlening, waardoor er een stimulerende werking aanwezig is om als deskundige letselschades te behandelen. Zowel de technische als de medische wetenschap ontwikkelen zich verder, waardoor oorzaak en gevolg eerder aan elkaar kunnen worden toegerekend en dus de causaliteit van de ziekte met de werkomgeving sneller kan worden vastgesteld. Nieuwe beroepsziekten worden ontdekt, zoals bijvoorbeeld ziekten als gevolg van langdurige blootstelling aan trillingen. De rol van patiëntenverenigingen neemt bij de behandeling van een beroepsziekte als schadeclaim ook steeds meer toe.
Invulling
Vanuit verschillende invalshoeken is er dus enorm veel aandacht voor de diverse beroepsziekten. De officiële definitie van beroepsziekten luidt: “een ziekte of aandoening die in hoofdzaak het gevolg is van arbeid of arbeidsomstandigheden”. In deze definitie is het begrip “in hoofdzaak” van belang. Bij mesothelioom als gevolg van blootstelling aan asbest is de relatie tussen de ziekte en de werkomgeving vaak duidelijk.
Bij OPS en RSI kunnen invloeden vanuit de privé-omgeving het ontstaan van de ziekte aanmerkelijk beïnvloeden. De nog te vormen jurisprudentie zal een nadere invulling moeten geven aan het begrip “in hoofdzaak”.
De beroepsziekte als gevolg van blootstelling aan asbest, OPS en RSI komen hier achtereenvolgens uitgebreid aan de orde.
Beroepsziekte als gevolg van blootstelling aan asbest
door Rini Withagen
Asbest staat sinds enkele jaren volop in de belangstelling. Niet alleen bij de slachtoffers, hun nabestaanden en de partijen die zich bezig houden met de afwikkeling van deze zaken, maar ook binnen de politiek en in de jurisprudentie is dit onderwerp zeer actueel. Op basis van de jurisprudentie is inmiddels enig houvast verkregen. Dit neemt echter niet weg dat er nog immer voldoende ruimte is voor discussie in de individuele zaak. Wel is er inmiddels min of meer een antwoord verkregen op vragen zoals per wanneer de werkgever had kunnen weten dat blootstelling aan asbest of asbesthoudend materiaal gevaarlijk was voor de gezondheid, dan wel wanneer een vordering verjaard is.
Bekendheid
Wanneer vaststaat dat een slachtoffer lijdt aan een asbestgerelateerde ziekte en voorts evident is dat gedurende het dienstverband sprake is geweest van blootstelling aan asbest dan wel asbesthoudend materiaal, dan dient nog de vraag te worden beantwoord per wanneer de (toenmalige) werkgever bekend had moeten zijn met de gevaren daarvan. Immers, eerst vanaf dat moment kan de werkgever in gebreke worden gesteld wanneer alsdan geen passende maatregelen waren getroffen.
In dat verband is uiteraard het arrest Cijsouw/De Schelde d.d. 25 juni 1993 meer dan interessant. In dat arrest oordeelde de Hoge Raad dat De Schelde ten minste vanaf 1964 op de hoogte had moeten zijn met de gevaren van asbest. Er wordt zelfs naar een ruimere periode daarvoor verwezen, maar in dat geval had de vraag beantwoord moeten worden welke maatregelen in redelijkheid op dat moment van de werkgever verlangd hadden kunnen worden.
Naar alle waarschijnlijkheid is het jaar 1964 niet zomaar genoemd. Het was namelijk in 1964 dat de Eerste Internationale Asbest Conferentie werd gehouden, waar zeer nadrukkelijk is gesproken over de gevaren van asbest, de alternatieven voor het gebruik van asbest, alsmede de wijze waarop veiligheidsvoorzieningen zouden kunnen worden getroffen.
Daarna volgde in 1969 het onderzoek van Stumphius, dat uiteindelijk heeft geleid tot het Asbestbesluit van 1977. Dit was uiteraard een belangrijk besluit, te meer, omdat daaruit viel op te maken wat de maatschappelijke opvattingen zijn over de aan het arbeidsniveau te stellen kwaliteitseisen. Zulks met verwijzing naar de arbeidsomstandighedenwetgeving. Het Asbestbesluit 1977 heeft overigens nog niet meteen geleid tot een algemeen verbod op het gebruik van asbest. Wel was er vanaf dat moment voldoende voorlichting, waardoor een ieder ten minste op de hoogte kon zijn van de gevaren. Uiteindelijk heeft het nog tot 28 mei 1993 geduurd alvorens er een definitief besluit werd uitgevaardigd, verband houdende met regels voor de verwijdering van asbest bij het slopen van bouwwerken en het uit elkaar nemen van objecten. Met dit besluit kwam er derhalve een algemeen verbod op de verwerking/verwijdering van asbest, danwel asbesthoudend materiaal anders dan volgens de daarin genoemde regelgeving.
Asbestziekten
Bij asbestziekten gaat het om de relatie tussen aanwezige longafwijkingen en de expositie (= blootstelling) aan asbest danwel asbesthoudend materiaal. Veelal is deze expositie van behoorlijke importantie geweest en vaak ook wat verder in het verleden.
In de literatuur is in 1960 voor het eerst melding gemaakt van een mogelijke relatie tussen de expositie aan asbest (inademen van asbestvezels) en het later ontstaan van een longlijden. Nadien zijn er talrijke artikelen verschenen die het verband tussen expositie aan asbest en het later ontstaan van longafwijkingen bevestigden. Daarbij gaat men dan nog verder terug dan 1960 en wordt zelfs in een enkel geval begin jaren veertig gehanteerd.
Medisch causaal verband
De gevolgen van expositie aan asbest kunnen variëren van geringe longfunctiestoornissen tot een zodanige ernstige longafwijking, dat een slachtoffer daaraan binnen een termijn van doorgaans maximaal twee jaar komt te overlijden. Deze verschillende vormen zijn als volgt te onderscheiden, te weten asbestosis, pleura fibrosis (ook wel pleurale plaques genoemd), longkanker, en het mesothelioom.
Asbestosis ziet men ontstaan na langdurige expositie (twee tot acht jaar) aan asbest dan wel asbesthoudend materiaal. De oorzaak is een chronische prikkeling van de bekleding van de luchtwegen en luchtblaasjes, als gevolg van de asbestvezels die in de luchtwegen doordringen. Vervolgens ontstaat dan een chronische ontstekingsreactie, waarbij de asbestvezels door de bekledende laag van de luchtwegen heen dringen en ook in het weefsel tussen de luchtwegen terecht komen.
Pleura fibrosis of pleurale plaques is een vorm van verbindweefseling van de longbladen (pleura). Niet geheel duidelijk is wat er precies gebeurt met de asbestvezels die de luchtwegen binnendringen. Men ziet dan vaak grote verkalkingen op de pleurabladen ontstaan, die soms jaren constant kunnen blijven, maar op den duur ook aanleiding kunnen geven tot longfunctiestoornissen. Bij epidemiologische onderzoeken is aangetoond dat expositie aan asbest een vier maal zo grote kans geeft op het ontstaan van longkanker. Tevens is gebleken dat asbestexpositie ook bij niet-rokers longkanker kan induceren. De combinatie van asbestexpositie en roken blijkt de kans op het ontstaan van longkanker echter dramatisch te vergroten. In de literatuur wordt aangegeven dat de combinatie van asbestexpositie en langdurig roken de kans op het ontstaan van longkanker tachtig tot negentig maal vergroot in vergelijking met groepen niet-rokers, die ook niet bloot gesteld zijn geweest aan asbest.
Het mesothelioom is voornamelijk aanwezig in de longbladen en het buikvlies. In geval de diagnose mesothelioom is gesteld, dan zal een verband met asbestexpositie niet zijn te ontkennen. De reden hiervoor is dat er vooralsnog geen andere oorzaak is gevonden voor het ontstaan van een mesothelioom. De prognose na het stellen van de diagnose is over het algemeen zeer somber. Als gemiddelde overlevingsduur wordt acht maanden aangegeven (slechts 10% leeft langer dan drie jaar en hooguit 3% haalt een vijfjaars overlevingstermijn).
Tussen het moment van de expositie en het later optredende mesothelioom kunnen latentieperioden zijn gelegen van gemiddeld 30 tot 45 jaar. Gewoonlijk ziet men geen kortere latentietijden dan tien à vijftien jaar.
Het onderzoek
De vorderingen worden ingesteld in de richting van de – meestal toenmalige – werkgever, waarbij de aansprakelijkheid dan is gebaseerd op art. 1638x Oud-BW respectievelijk art. 7:658 BW. Het onderzoek zal zich met name richten op de volgende aspecten: a) arbeidsverleden alsmede de frequentie en de intensiteit van de asbestexpositie; b) veiligheidsbeleid; c) medische bevestiging van de beroepsziekte; d) verjaringsaspecten.
Van groot belang is dat zo nauwkeurig mogelijk het arbeidsverleden wordt nagegaan. Uiteraard is dat in veel gevallen moeilijk, doordat de ziekte zich meestal eerst na twintig, dertig en soms veertig jaren openbaart. In sommige zaken dient de periode van het dienstverband dan ook wel als verdeelsleutel voor de eventuele aansprakelijkheid, ook wel de zogenaamde proportionele aansprakelijkheid genoemd.
Dat de zogenaamde proportionele aansprakelijkheid niet zonder meer toepasbaar is en op weerstand stuit, is ook wel begrijpelijk. Immers, ook de frequentie en intensiteit van de blootstelling aan asbest dan wel asbesthoudend materiaal speelt daarbij een rol van betekenis. De aangesproken werkgever zal derhalve volgens art. 1638x Oud-BW aannemelijk moeten maken dat tijdig adequate maatregelen zijn getroffen, waarmee de werknemer werd beschermd tegen de gevaren van blootstelling aan asbest. Volgens art. 7:658 BW dient de werkgever het overtuigende bewijs daartoe te leveren. Hoewel doorgaans wel sprake is geweest van een veiligheidsbeleid, zijn de gevaren van asbest meestal niet tijdig onderkend. Dat wil zeggen dat over het algemeen gesteld kan worden dat men sedert de eerste helft van de jaren zeventig daarmee bekend had kunnen – en wellicht moeten – zijn. De termijn die de wetgever hier echter aan stelt is echter van dien aard dat in nagenoeg alle gevallen sprake is geweest van een veiligheidsbeleid dat ontoereikend was.
Het vorenstaande neemt echter niet weg, dat we wel steeds dienen te informeren naar dit veiligheidsbeleid, waarbij dan met name een antwoord moet worden verkregen op de vraag vanaf welk moment men de gevaren van asbest heeft onderkend en welke maatregelen op dat moment zijn genomen. Blijkt echter dat het dienstverband is aangevangen op het moment dat het veiligheidsbeleid inzake asbest ook werd bijgesteld, dan schuilt daarin wellicht reeds een argument om een verder onderzoek in te stellen naar werkgevers van voor die periode.
De medische bevestiging
Zoals reeds besproken, is het uiteraard van belang dat sprake is van het vereiste medische causale verband tussen de ziekte en de blootstelling aan asbest. Niet in alle gevallen is dit met volledige zekerheid vast te stellen. Echter, is sprake van een asbestose of een mesothelioom, dan zal een verband niet kunnen worden ontkend. Dit om reden dat in feite geen andere oorzaken dan asbestblootstelling bekend zijn.
Het gegeven dat de diagnose asbestose of mesothelioom wordt gesteld, is op zich nog niet maatgevend voor de veronderstelde aansprakelijkheid. Veelal wordt dan ook de zogenaamde latentieperiode beoordeeld. Wanneer sprake is van een langdurig dienstverband in het verleden, dan wordt een relatie tussen de ziekte en de blootstelling vrij snel aangenomen. Er kan echter ook sprake zijn van een ogenschijnlijk zeer korte latentieperiode. In de literatuur zijn weliswaar voorbeelden bekend van minder dan tien jaar, maar dit zijn werkelijk uitzonderingen.
De verjaringsaspecten
In grote lijnen spelen op dit moment een tweetal verjaringstermijnen een rol van betekenis, te weten de 5-jaars en de 30-jaarstermijn.
Wanneer vaststaat dat tussen het moment waarop de vordering wordt gesteld en de laatste asbestblootstelling een termijn van dertig jaar of meer is verstreken, mag worden geconcludeerd dat de vordering is verjaard. In het geval de asbestblootstelling minder dan dertig jaar geleden heeft plaats gehad, dan speelt mogelijk nog de 5-jaarstermijn. Hierbij dient beoordeeld te worden op welk moment de diagnose voor de eerste maal is gesteld en het moment waarop de vordering is ingesteld. Is daartussen een periode van meer dan vijf jaar verstreken, dan kan ook in dat geval een beroep op de verjaring worden gedaan.
De schade
Bij de bepaling van de schade-omvang dient een onderscheid te worden gemaakt naar het moment waarop de vordering wordt ingesteld, te weten vóór het overlijden van het slachtoffer of ná het overlijden van het slachtoffer. Dit is van belang waar het gaat om de toekenning van een vergoeding inzake smartengeld. Deze schadepost alleen al kan leiden tot discussie. Immers, wordt de vordering één dag vóór of ná het overlijden ingesteld, dan leidt dit reeds tot forse verschillen in de toe te kennen bedragen.
Van groot belang is dat sprake is van een zeer actieve schadebehandeling. Dit om reden dat hiermede de zogenaamde secundaire victimisatie (het zogenaamde dubbel-lijden) kan worden voorkomen. Het slachtoffer en ook diens omgeving zijn vaak geheel geconcentreerd op de ziekte en het daaruit voortvloeiende ziekteproces. De financiële kwestie met een verzekeringsmaatschappij komt dan ook vaak niet gelegen.

  • In hoeverre sprake is van schade ex. art. 6:107 BW en art. 6:108 BW is uiteraard geheel afhankelijk van de situatie. Meestal is die schade zeer beperkt, nu het doorgaans gaat om oudere werknemers. Vaak is sprake van pensioengerechtigden. Meestal zijn er ook geen kinderen meer thuiswonend. 

Instituut voor asbestslachtoffers
Om te voorkomen dat veel slachtoffers, die in het verleden zijn blootgesteld aan asbest, tussen wal en schip vallen, wordt gezocht naar een oplossing in de vorm van een asbestinstituut. Momenteel is men nog doende na te gaan welke bedragen gehanteerd zouden moeten worden, wanneer aanmeldingen gaan plaatsvinden bij het instituut. In dit stadium is het derhalve nog te vroeg om definitief te concluderen over de vorm van het asbestinstituut.
OPS, in de wandeling: schildersziekte
door Ard Korevaar
Als het gaat om de aandoening OPS spreken wij in de volksmond over de schildersziekte. OPS staat voor Organisch Psycho Syndroom ofwel een verzamelnaam voor gedrags- en psychische stoornissen ten gevolge van een vorm van hersenbeschadiging, danwel beschadiging aan het centraal zenuwstelsel ten gevolge van een langdurige en vaak intensieve blootstelling aan vluchtige organische oplosmiddelen. Deze stoffen, nader te noemen oplosmiddelen, worden veelvuldig gebruikt in zowel de huishouding (van schoonmaakmiddelen tot nagellakremover) maar met name in de industrie. Grofweg worden oplosmiddelen in drie toepassingen gebruikt:

  • – verdunner (schilders, spuiterijen, tapijtleggers); 
  • – schoonmaakmiddelen (drukkerijen, stomerijen); 
  • – overig (rubber- en kunststofindustrie, chemie). Recent onderzoek door de Arbeidsinspectie leert dat met name drukkerijen, de autohandel, reparatie-, schilders-, en vloerleggersbedrijven en de lederwarenindustrie risicogroepen zijn. In Nederland werken naar schatting 500.000 werknemers (in)direct met oplosmiddelen. 

Indicaties
Langdurige blootstelling aan genoemde oplosmiddelen kan bij een mens leiden tot sluipende klachten die bij continuering toenemen. De klachten starten vaak met slecht slapen, hoofdpijn, aandachtstoornissen en coördinatieproblemen die vaak in de weekeinden of vakanties verdwijnen (het zogenaamde Kortjakje-syndroom). Vaak worden deze klachten niet opgemerkt en geassocieerd met de arbeidsomstandigheden. Zeker indien andere oorzaken zijn aan te wijzen zoals alcohol, overspannenheid, spanning, recente life-events (zoals echtscheiding of overlijden van de partner) en dergelijke.
Wanneer klachten ook in de weekeinden aanhouden of verergeren, wordt het een serieus probleem als er geen adequate maatregelen worden getroffen. Indien een relatie met de arbeidsomstandigheden aannemelijk is, dient acuut de blootstelling aan oplosmiddelen te worden gestopt. In deze fase zullen de klachten stabiliseren en vaak ook verdwijnen.
De Wereldgezondheidsorganisatie heeft criteria opgesteld om te komen tot eenduidigheid als het gaat om de ernst van de klachten. Type I: lichte vorm van OPS, zonder restverschijnselen; Type II: matig vorm van OPS, verbetering kan nog optreden; Type III: ernstige vorm van OPS, blijvende klachten zoals dementieel ziektebeeld, ernstige geheugenstoornissen.
Het diagnostiseren van OPS is niet eenvoudig. Enerzijds vanwege de vaak niet altijd goed objectiveerbare klachten die in enkele gevallen ook in verband kunnen worden gebracht met andere neurologische aandoeningen dan wel omstandigheden. Te denken valt aan overspannenheid, ziekte van Alzheimer, ziekte van Parkinson, epilepsie en dergelijke. Voorts kan ook gedacht worden aan alcoholverslaving, chemotherapie, recente life-events die de diagnose OPS kunnen vertroebelen.
Twee centra
In Nederland is onder invloed van de vakbonden, Universiteit van Amsterdam en de Ziekenfondsraad een tweetal solvent-teams opgericht. Deze zijn gevestigd in Amsterdam (Nederlands Centrum voor Beroepsziekten) en in Enschede (Medisch Spectrum Twente). De centra kenmerken zich door een multidisciplinaire aanpak door neuropsycholoog, neuroloog, toxicoloog dan wel arbeidshygiënist.
Na een uitgebreide intake van de potentiële OPS-patiënt wordt besloten of deze in aanmerking komt voor een uitgebreid en kostbaar onderzoek, waarvoor een wachtlijst bestaat. Na onderzoek zal de uitslag nooit absoluut zeker zijn. Er bestaat geen lakmoesproef. Het solvent-team zal de uitslag aangeven in termen van waarschijnlijk, onduidelijk of onwaarschijnlijk.
Ervaring leert dat een groot deel van de aangeboden patiënten niet voor verder onderzoek in aanmerking komt vanwege andere aandoeningen die het wetenschappelijk onderzoek zouden kunnen vertroebelen. Verder is onze ervaring dat de conclusie van het centrum vaak uitsluitend is gebaseerd op de anamnese van de patiënt zonder verificatie bij de werkgever. Dit maakt het onderzoek niet objectiever. Bij de werkgever zal onderzoek naar blootstellingsrisico ofwel de arbeidsomstandigheden gedaan moeten worden. Dit is niet eenvoudig. Vaak is sprake van een langer dienstverband waarbij ook de omstandigheden zijn veranderd. Te denken valt aan andere machines met betere afzuiging, danwel betere instructies en het ter beschikking stellen van veiligheidsmiddelen.
Werkplekonderzoek
Na inventarisatie van eventueel gebruikte oplosmiddelen kan een werkplekonderzoek plaatsvinden. Dit kan variëren van een globaal onderzoek met eenvoudige metingen tot een uitgebreid werkplekonderzoek bijvoorbeeld door NIA-TNO.
Als gewerkt wordt met oplosmiddelen kan het blootstellingsrisico in enkele gevallen worden getoetst aan een zogenaamde MAC-waarde (maximale aanvaardbare concentratie). Deze waarden zijn door de SER in overleg met werkgevers en werknemers opgesteld en gelden als norm. De stoffen hebben een bepaalde dichtheid van moleculen (PPM) per m3. Als de hoeveelheid deeltjes (PPM) structureel de MAC-waarde overschrijdt, zal dit voor de mens een gevaar voor de gezondheid kunnen opleveren, indien hij gedurende acht uur per dag hieraan wordt blootgesteld. Vaak wisselen de arbeidsomstandigheden zodat ook deze MAC-waarde enigszins genuanceerd dient te worden. Daarnaast is het effect van de zogenaamde kortdurende piekbelasting niet volledig duidelijk. De medici zijn het hier duidelijk niet over eens.
Meerdere werkgevers
Er zullen enerzijds bij de werkgever zoveel mogelijk puzzelstukjes verzameld dienen te worden om de medisch adviseur uiteindelijk een goed beeld te geven van de mogelijke gevaren voor de werknemer. Anderzijds zal ook duidelijk moeten worden in hoeverre het voor de werkgever bekend was – danwel had moeten zijn – dat sprake was van onveilige werkomstandigheden. Verder zal aandacht besteed moeten worden aan onder meer het ziekteverleden, verklaringen van collega’s, instructies voor wat betreft veilig werken, afzuiging/ventilatie et cetera. Ook inventarisatie van het arbeidsverleden zal met name voor verzekeraars van groot belang zijn voor eventueel regres. Het is goed mogelijk dat OPS bij meerdere werkgevers is ontstaan, danwel verergerd is. In de toekomst zal dan ook zeker een convenant zoals bij asbest ontwikkeld moeten worden.
Conclusie
Uit deze uiteenzetting blijkt dat de OPS-materie in Nederland nog relatief onbelicht is gebleven op medisch wetenschappelijk gebied. Wij verwachten de komende jaren regelmatig publicaties van onder andere het Centrum voor Beroepsziekten waardoor meer duidelijkheid over de situatie in Nederland bekend zal worden.
De vraag dient zich aan in hoeverre de onderzoeksresultaten ook door verzekeraars integraal geaccepteerd zullen worden. Door de huidige publieke en politieke belangstelling bestaat in sommige gevallen de neiging tot overdrijving van het probleem.
Vaststaat dat langdurige en intensieve blootstelling aan oplosmiddelen schadelijk is voor de mens. Werkplekonderzoek geeft geen absolute duidelijkheid, het medisch onderzoek evenmin. In de praktijk betekent dit dat in sommige gevallen geen meningsverschil bestaat over het aanwezig zijn van een OPS door een tekortkoming van de werkgever. In de meeste gevallen bestaat er vaak een discrepantie danwel discussie, op zowel juridisch alsook medisch-causaal gebied.
Ik breek een lans voor periodiek overleg tussen de direct betrokken partijen in een aansprakelijkheidszaak. Te denken valt aan het Verbond van Verzekeraars dan wel het PIV eventueel bijgestaan door daartoe kundige experts, medisch adviseurs en belangenbehartigers. In dit overleg kunnen de meest recente ontwikkelingen worden ingebracht en besproken en kan consensus worden gezocht als het gaat om de aanpak. Dit zal zeer zeker secundaire victimisatie voorkomen en de naam van het verzekeringsbedrijf ten goede komen.
Naar schatting zijn er nu 2.500 OPS-patiënten in Nederland. Het is derhalve een serieus probleem.
RSI: veel meer dan muisarm
door Mark van Dijk
RSI staat voor Repetitive Strain Injuries, oftewel beschadiging door herhalende spanning. Medisch bestaat de term RSI helemaal niet. Er zullen dan ook weinig artsen zijn die een diagnose RSI zullen stellen. RSI is een verzamelnaam voor allerlei overbelastingsklachten, gezien vanuit de invalshoek van de werkplek. De overbelastingsklachten ontstaan door kort-cyclische arbeid. Een cyclus is een bepaalde beweging of handeling van begin tot het eind. Als een cyclus kort is en eenzijdig qua lichamelijke belasting kan er op den duur overbelasting ontstaan bij onder meer pezen, spieren en kapsels.
Afhankelijk van de lengte van de cyclus en de soort belasting kunnen de klachten op allerlei plaatsen in het lichaam ontstaan. Meestal zijn het de armen, polsen en de schouders. Belangrijk bij kort-cyclische arbeid is dus de cyclusduur en het aantal malen dat een cyclus per dag plaatsvindt. Enkele beroepen waarbij kort-cyclische arbeid veelvuldig voorkomen, zijn lopende-bandmedewerker, caissière, kappers, metselaars en dergelijke.
Ook bij ‘bewegingsarmoede’
Niet alleen dynamische belasting, dus veel bewegingen en veel cyclussen, kunnen tot klachten leiden. Ook het omgekeerde, statische belasting oftewel bewegingsarmoede, kan tot klachten leiden.
Bij veelvuldig beeldschermgebruik beweegt men de armen, de polsen en de vingers vaak. De schouders staan daarentegen vaak urenlang in dezelfde onbeweeglijke stand. Soms nog met door stress aangespannen nekspieren. Aan- en afvoer van allerlei stoffen in de schouderregio worden belemmerd, waardoor hierdoor allerlei klachten kunnen ontstaan. Eigenlijk zijn deze schouderklachten geen klachten als gevolg van kort-cyclische arbeid, maar onderhand worden ze ook tot RSI-klachten gerekend. Beeldschermgebruikers zijn de grootste beroepsgroep binnen de RSI-patiëntenvereniging.
RSI Patiëntenvereniging
De RSI-patiëntenvereniging is in 1994 van start gegaan, maar is formeel in 1995 opgericht. Het aantal leden groeit behoorlijk. Momenteel zijn er 550 patiënten ingeschreven.
De doelstellingen van de RSI-patiëntenvereniging zijn drieledig: 1. opvang patiënten en familieleden; 2. medewerking met betrekking tot preventie; 3. bevorderen medisch onderzoek. De vereniging houdt onder meer regelmatig informatiebijeenkomsten om de problematiek onder de aandacht te brengen. Tevens geeft zij in het kwartaalblad ‘Het Handvat’ veel praktische tips voor de leden en ook de laatste ontwikkelingen op medisch gebied.
RSI-klachten in drie fasen
Over het algemeen onderscheidt men RSI-klachten in drie fasen.
Fase 1: dit is de fase waarbij er sprake is van enige pijnklachten. De pijnklachten vermeerderen bij werk en bij de inspanningen en verminderen ’s avonds. De arbeidsprestatie wordt onverminderd geleverd en er zijn verder geen andere fysieke signalen. Deze fase is omkeerbaar.
Fase 2: de pijn en vermoeidheid nemen ’s nachts niet af. Zij verstoren de slaap en verminderen het vermogen tot het verrichten van arbeid. Dit kan maanden duren. Fase 2 is een tussenfase.
Fase 3: de klachten zijn constant aanwezig. Ook in rust. De pijn treedt ook op als er niet sprake is van repeterende ofwel kort-cyclische werkzaamheden. Dit stadium kan jaren duren en er uiteindelijk toe leiden dat de klachten chronisch van aard worden.
Andere oorzaken
Niet alleen de duur van de cyclussen en de bijbehorende lichamelijke belasting zijn van belang voor het ontstaan van RSI. Er zijn ook nog andere werkomgevingsfactoren, die de klachten kunnen beïnvloeden, zoals koude en tocht. Ook zogenaamde sociale omgevingsfactoren, zoals stress, zijn van invloed op het ontstaan van de klachten.
Als men met een stukloonsysteem werkt of met het systeem ‘klaar is naar huis’, kan dit een stimulans zijn voor extra fysieke inspanning, met allerlei mogelijke bijverschijnselen. Ook persoonlijke factoren zijn belang. Hiermee wordt niet alleen de zogenaamde preëxistentie bedoeld, maar ook de lichaamshouding en de persoonlijkheid. Vaak negeren harde werkers pijnsignalen en zij zullen dan ook uiteindelijk sneller tot fase 3 doordringen.
Ook kan er sprake zijn van onnodige krachtsinspanning bij bepaalde werkzaamheden, die daardoor een extra en dus onnodige belasting veroorzaken.
Werkomgevingsfactoren
Bij de functie die iemand vervult kan er sprake zijn van een zeer beperkt aantal handelingen waardoor er snel eenzijdige belasting en dus overbelasting veroorzaakt kan worden. Door middel van het rouleren van functies of het verruimen van de werkzaamheden ervan in samenhang met andere functies kan de eenzijdige belasting worden verminderd.
Ook het werktempo zelf is een belangrijke factor. Hiermee wordt niet alleen het tempo van bijvoorbeeld de lopende band bedoeld, maar ook de mogelijkheid het werktempo zelf te beïnvloeden. De indeling van de werkplek is ook van belang. Hiermee wordt bedoeld of de werkplek ergonomisch verantwoord is ingedeeld, zodat wederom onnodige belasting kan worden voorkomen. De werktijden zijn van belang. Uit onderzoek is vast komen te staan dat het opnemen van korte pauzes overbelastingsklachten aanmerkelijk kunnen verminderen.
Meten van overbelasting
Het is lastig te bepalen of bepaalde werkzaamheden risicovol zijn en hoe men dit moet meten. Toch is met name dit aspect van belang bij aansprakelijkheidskwesties.
De Arbeidsinspectie heeft in het verleden een zeer eenvoudige maar praktische tabel gehanteerd, die overigens alleen uitging van de cyclusduur en het aantal cyclussen per zeven uur. Op zichzelf is deze methodiek voor een eerste inventarisatie praktisch en bruikbaar. Een andere, wat modernere, meetmethode is de zogenaamde lekentabel. Bij deze tabel gaat het met name om het heffen, reiken, en de krachtsinspanning evenals het tempo. ***************************************** tekst-illustratie (zie diskette GAB) Bron: Kortcyclische arbeid door ir. G. Huppes. ************************************************ Worden alle vragen met ‘nee’ beantwoord, dan is er geen aanleiding tot nadere actie. Kan men geen antwoord geven of moet men één of meerdere keren met ‘ja’ antwoorden, dan is er mogelijk sprake van risico’s. Een meer verfijndere methodiek is het zogenaamde deskundigeninstrument waarbij met name op de werkzaamheden, de houding krachtfrequentie en duur en last en omgevingsfactoren wordt gelet. Het controleren van de werkzaamheden en het bruikbaar toepassen van dit instrument kan lastig zijn. Mochten de gehanteerde methodieken onvoldoende zijn om goede metingen te doen dan kan men nog uitwijken naar specifieke deskundigen, zoals bijvoorbeeld ergonomen. Of zelfs wetenschappelijk onderzoek op de werkplek. Bij letselschaderegeling zal laatstgenoemd onderzoek wwarschijnlijk slechts zeer incidenteel nodig zijn.
Behalve het meten van de belasting zelf kunnen ook andere informatiebronnen waardevol zijn voor het beoordelen van de werkbelasting. Men kan hierbij denken aan de risicoïnventarisatie, statistisch onderzoek naar aanleiding van periodieke geneeskundige keuringen en dergelijke.
Medische aspecten
RSI is een werkplek-georiënteerde term. Weinig artsen zullen dan ook de diagnose RSI stellen. Het is eigenlijk een verzamelnaam voor allerlei chronische en repeterende energie-inwerkingen binnen het bewegingsapparaat.
In het kort kunnen een aantal klachten genoemd worden zoals tenosynovitis of tendonitis. Dit zijn aandoeningen van pezen en peesscheden. Deze zijn veelal rond de pols en in de hand gelegen. Kenmerkend van deze klachten is dat het zogenaamde steriele ontstekingen zijn. Een bijzondere tendinitis is de Quervain, die veel voorkomt bij tuinders, doe-het-zelvers en huisvrouwen. Het is een vorm van overbelasting van de duim en frequent repeterende knikbeweging van de pols richting duim en pink. Vaak ook door een computermuis. Het carpale tunnelsyndroom ontstaan door een zwelling van bindweefseltunnel, waardoor er druk ontstaan van een van de grote zenuwen. De epicondylitis lateralis is de tenniselleboog. Het is een chronische irritatie, veelal ontstaan door korte draaibewegingen zoals schroevendraaien, ontkurken van flessen in de horeca en een slechte backhandtechniek bij tennissen.
De Thoracic Outlet Syndrome is een medische term voor beknelling van de grote zenuwen en bloedvaten, tussen nek en schouders. Deze klachten kunnen het gevolg zijn van veelvuldig reiken boven schouderniveau en het dragen van zware last op de schouders. Bursitis is een vorm van vochtophoping op botten en pezen. Het bindweefsel van een gewricht wordt aangepast. Deze klacht kan naast overbelasting ook het gevolg zijn van een infectie of verwonding. Sommige klachten zijn preëxistent, sommigen worden door de lichaamshouding beïnvloed, maar klachten kunnen uiteraard ook in hoofdzaak zijn ontstaan door de werkomgeving. Bij beoordeling van de medische aspecten van RSI als beroepsziekte is het van belang te worden bijgestaan door een medisch adviseur. Eventueel kan de medische beeldvorming worden gecompleteerd met een gespecialiseerde medische expertise.
Externe omstandigheden
Een beroepsziekte als RSI ontstaat in de loop der tijd. Bij het onderzoek op de werkplek kan men dan ook niet uitsluitend volstaan met de huidige werkplek, maar moet men ook informeren naar de werkbelasting in het verleden, eventueel bij andere werkgevers. Daarnaast hebben sommige mensen zeer intensieve hobby’s, die soms ook extreme lichamelijke belasting kennen. Te denken valt bijvoorbeeld aan het urenlang surfen op Internet of zeer intensieve sportbeoefening.
Ook kunnen er allerlei preëxistente factoren een rol spelen, zoals ongevallen vanuit het verleden, suikerziekte en dergelijke. Sommige mensen hebben ook een tweede baan die ook een specifieke werkbelasting kent of werken veel zwart bij. Bij het interview met betrokkene moet getracht worden deze informatie boven water te krijgen om een goede bijdrage te leveren aan het gehele onderzoek.
Juridische beoordeling
Dit onderdeel is wat lastig, aangezien er eigenlijk weinig richtlijnen zijn hoe men een RSI-beroepsziekte juridisch moet beoordelen. Dit komt omdat er geen bekende jurisprudentie is. De verplichting van de werkgever is gebaseerd op artikel 7:658 NBW. Vrij vertaald betekent dit dat de werkgever de verplichting heeft zorg te dragen voor een veilige werkomgeving.
Strikte normering voor overbelasting bij kort cyclisch werk, zoals bijvoorbeeld de NIOSH-methode bij tillen, zijn er niet. Bij beeldschermgebruik zijn er wel duidelijke richtlijnen in de vorm van het aanvankelijke publicatieblad 184, dat met de komst van het nieuwe Arbobesluit is veranderd in het Arboinformatieblad.
Als door middel van de metingen bij het werkplek-onderzoek is vastgesteld dat het werk aanleiding geeft tot overbelastingsklachten en de werkgever wist dit, of had dit behoren te weten, en hij heeft verzuimd adequate maatregelen te nemen, dan is de werkgever naar mijn mening aansprakelijk voor de gevolgen van de beroepsziekte.
Het schuldvraagonderzoek
Het totale onderzoek valt uiteen in drie deelonderzoeken. Dit zijn: 1. het werkplekonderzoek zelf, met de verschillende metingen; 2. de medische invalshoek, aan de hand van de medische informatie en de beoordeling hiervan met de medisch adviseur; 3. de persoonlijke factoren aan de hand van het zeer uitvoerige interview met betrokkene.
Slotopmerkingen
Juist omdat de beroepsziekte RSI in de loop der tijd ontstaat en er vele andere factoren behalve de werkplek kunnen zijn die de klachten beïnvloeden, moet er zeer zorgvuldig onderzoek gedaan worden. Dit geldt niet alleen voor een werkplekonderzoek, maar ook voor de medische causaliteit. Gezien de slachtoffervriendelijke jurisprudentie kan de medische causaliteit voor aansprakelijk gestelden een belangrijke ontsnappingsmogelijkheid zijn. Een belangrijk aspect hierbij is dat zorgvuldig dient te worden nagegaan of, indien er sprake is van overbelastingsklachten, deze wel in relatie staan met de aandoening waaraan men lijdt.
GAB Robins Takkenberg. Rini Withagen is hoofd productgroep Personenschade en tevens adjunct-directeur. Ard Korevaar is groepshoofd van de vestiging Hoogeveen. Mark van Dijk is senior personenschade-expert.
De auteurs v.l.n.r.: Mark van Dijk, Rini Withagen en Ard Korevaar.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.