nieuws

AOV-verzekeraar mag niet gehele overeenkomst nietig verklaren

Archief

Een aov-verzekeraar beriep zich op ‘verzwijging’. De Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf was het er niet mee eens dat de verzekeraar de overeenkomst geheel nietig verklaarde. De verzekeraar moet een beperkte dekking aanbieden.

De verzekerde had sinds 1990 een aov en had daar in 1994 al eens een beroep op gedaan in verband met een verkeersongeval. In oktober 1995 claimde ze opnieuw. Dit keer in verband met enkelklachten. In maart 1996 heeft de verzekeraar de verzekering, met een beroep op ‘verzwijging’ (artikel 251 WvK) de verzekering nietig verklaard en alle reeds gedane uitkeringen, zonder premierestitutie, teruggevorderd. De verzekerde zou volgens hem een enkelblessure hebben verzwegen en dat zou niet te goeder trouw zijn gebeurd.
Volgens de verzekerde had zij in 1998 een kleine enkelblessure gehad, maar had zij in daar in 1990, bij het aanvragen van de verzekering, al lang geen last meer van gehad. Ze was bijvoorbeeld, in 1989 zonder problemen op wintersport geweest. De verzekerde bestreed dat de ‘verzwijging’ opzettelijk was: de blessure was haar totaal ontschoten. Ze had haar verzekeraar zelfs meegedeeld dat ze eerder bij een andere verzekeraar een aov had aangevraagd en in verband daarmee was gekeurd. Toen was de enkelblessure wel aan de orde gekomen. Als haar verzekeraar de resultaten van die keuring had opgevraagd, zou hij dus van die blessure hebben geweten.
De verzekerde betoogde tegenover de Raad, dat zij een uitsluiting voor enkelletsel acceptabel zou hebben gevonden, maar dat zij een algehele nietigverklaring onacceptabel nadelig vindt.
Art. 3:41 BW
De Raad van Toezicht vindt dat de verzekeraar zich inderdaad kan beroepen op verzwijging. Bij beantwoording van de vraag of een algehele nietigverklaring redelijk is, overweegt de Raad ondermeer dat de aov een sociaal karakter heeft. “Dat kan met zich meebrengen, dat de verzekeraar dient af te zien van volledige vernietiging en dient te kiezen voor de minder ingrijpende maatregel van beperking van de dekking. Een wettelijke basis hiervoor is te vinden in artikel 3:41 BW.” Dit artikel luidt: ‘Betreft een grond van nietigheid slechts een deel van een rechtshandeling, dan blijft deze voor het overige in stand, voor zover dit, gelet op inhoud en strekking van de handeling, niet in onverbrekelijk verband met het nietige deel staat’.
De Raad maakt hierbij de kanttekening, dat de verzekeraar in 1996 aan de raadsman van zijn verzekerde het volgende heeft geschreven: “Vanwege het structurele karakter van de enkelproblematiek, dat zich ook later is blijven voordoen, zonder dat van overbelasting of traumata sprake was, zou een verzekering met een specifieke uitsluiting zijn aangeboden, wanneer de gegevens onze medisch adviseur op het juiste moment hadden bereikt.”
Voorts staat het voor de Raad van Toezicht niet vast, dat de verzekerde bij het aanvragen van de aov niet te goeder trouw is geweest. “Er mag niet zonder meer worden aangenomen dat een aspirantverzekerde de ernst van zich bij hem voldoende symptomen onderkent. De door verzekeraar gestelde feiten geven onvoldoende grond voor de gevolgtrekking dat zulks in het onderhavige geval anders was.”
Gegrond
De Raad oordeelt derhalve, dat de verzekeraar de goede naam van het schadeverzekeringsbedrijf schaadt door de verzekering geheel nietig te verklaren. Hij dient verzekerde een aov aan te bieden “met een bij de door haar verzwegen feiten passende uitsluiting, zulks met terugwerkende kracht tot het tijdstip van aangaan van de verzekering.”
Raad van Toezicht, uitspraak IV-99/1

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.