nieuws

Amendement helpt pensioenopbouw in en na het tweede ziektejaar

Archief

Juni vorig jaar heeft de minister van Sociale Zaken in een brief aan de Stichting van de Arbeid uitleg gegeven over de inkoop van pensioen, pensioenopbouw in en na het tweede ziektejaar en voorzetting van de pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid. De brief bleek weinig helder. Plenaire behandelingen in de Eerste en Tweede Kamer hebben voor de nodige wijzigingen gezorgd. Die zijn hier op een rijtje gezet.

Niels Romein en Alfred Lagendijk
In de brief van 24 juni 2005 trachtte minister Aart-Jan de Geus duidelijkheid te verschaffen over enkele onderdelen van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling. Commotie bij sociale partners en verzekeraars was echter het gevolg, waarna de politiek nog flink aan de voorstellen sleutelde. Dat gebeurde onder meer bij de inkoop van ouderdomspensioen over achterliggende dienstjaren.
Inkoop van pensioen
In de brief aan de Stichting van de Arbeid kondigde minister De Geus aan, dat bij het bepalen van de fiscale ruimte voor collectieve inkoop van ouderdomspensioen geen rekening hoeft te worden gehouden met de vóór 1 januari 2006 opgebouwde aanspraken op prepensioen, overbruggingspensioen en vroegpensioen. In dezelfde brief repte de bewindsman over een vergelijkbare tegemoetkoming met betrekking tot individuele modules voor de opbouw van ouderdomspensioen in de tweede pijler. Daarmee wordt voorkomen dat voor werknemers die in het verleden zelf de inkoopruimte over achterliggende dienstjaren geheel of gedeeltelijk benut hebben, na 1 januari 2006 geen of minder collectief pensioen kan worden ingekocht.
De toezeggingen van juni 2005 zijn inmiddels vastgelegd in de Wet op de loonbelasting 1964. In de wet is aangegeven wat moet worden verstaan onder een collectieve regeling dan wel individuele aanvulling. Een collectieve regeling is een regeling (of een gedeelte van de regeling) waaraan de werknemer in de desbetreffende periode verplicht deelnam. Van belang is dat de regeling geen keuzemogelijkheid biedt voor de hoogte van het op te bouwen pensioen. Onder individuele aanvulling wordt verstaan een pensioen dat in aanvulling op een collectieve regeling is opgebouwd, bijvoorbeeld door een individuele bijspaarmodule.
Aangezien de toezegging voor werknemers extra fiscale ruimte creëert om het ouderdomspensioen op te hogen, waarmee eventueel een vorm van vroegpensioen kan worden gerealiseerd, is dit onderdeel zonder problemen door de plenaire behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede en Eerste Kamer gekomen. Dit is echter niet het geval voor de twee onderdelen uit de brief van 24 juni 2005 die hierna worden besproken.
Premievrije voortzetting
Volgens minister De Geus is het “beleidsmatig onwenselijk” om de opbouw voor (een deel van de) arbeidsongeschikten na 1 januari 2006 op grond van de ‘oude’ wetgeving fiscaal te blijven ondersteunen. Werkenden moeten per die datum namelijk wel voldoen aan de ‘nieuwe’ fiscale kaders. Voorts stelde De Geus in de brief dat de premievrije opbouw van prepensioen vanuit de optiek van financiële prikkels tot reïntegratie ongewenst is.
Typerend genoeg ging het debat in de Tweede Kamer niet over de vraag of premievrij voortgezette pensioenregelingen zouden moeten worden aangepast aan de ‘nieuwe’ fiscale kaders, maar over de vraag hoe deze aanpassing zou moeten plaatsvinden. In dit kader stelde Bibi de Vries voor om pensioenuitvoerders de eenzijdige bevoegdheid te geven om premievrij voortgezette pensioenregelingen aan te passen.
Per 1 januari 2007 zou namelijk een probleem kunnen ontstaan bij de premievrije voortzetting van pensioenopbouw van arbeidsongeschikten, waarvan de pensioenregelingen door het ontbreken van een werkgever niet zouden kunnen worden aangepast aan de ‘nieuwe’ fiscale kaders. Dit probleem kan tot gevolg hebben dat deze pensioenregelingen vanaf 1 januari 2007 fiscaal onzuiver worden, waardoor alle opgebouwde pensioenaanspraken die op grond van deze regeling zijn opgebouwd op dat moment ineens met belastingheffing worden geconfronteerd. De pensioenuitvoerder moet daarbij de loonheffing inhouden. Omdat deze loonheffing in beginsel niet kan worden ingehouden op de pensioenuitkeringen, mag de pensioenuitvoerder de loonbelasting verhalen op de werknemer.
Om pensioenuitvoerders geen ongewenste bevoegdheden te verlenen, heeft de staatssecretaris van Financiën in de plenaire behandeling van het wetsvoorstel aanvullend overgangsrecht in de Eerste Kamer toegezegd. In het aangekondigde beleidsbesluit zal worden bepaald dat de opbouw van pensioenaanspraken die reeds premievrij worden voortgezet wegens arbeidsongeschiktheid, niet aan de nieuwe fiscale kaders hoeven te voldoen. Het amendement van De Vries is dus niet aangenomen.
Tweede ziektejaar
Een ander punt uit de brief van 24 juni 2005 was de pensioenopbouw in en na het tweede ziektejaar. Bij loondoorbetaling tijdens ziekte zou de fiscaal gesteunde pensioenopbouw in het tweede ziektejaar en de jaren daarna niet hoger mogen zijn het loon dat gedurende het tweede ziektejaar wordt ontvangen. Aangezien op grond van de afspraken tussen het kabinet en sociale partners het loonniveau in het tweede ziektejaar vaak wordt verlaagd naar (minimaal) 70% van het laatst verdiende salaris, dreigde een aanzienlijke positieverslechtering voor arbeidsongeschikten.
Om dat te voorkomen is een amendement ingediend én aangenomen. Op grond van dit amendement zal er in de Wet op de loonbelasting 1964 een delegatiebevoegdheid worden opgenomen, die het mogelijk maakt om de pensioenopbouw voort te zetten op basis van het loon dat voorafgaand aan de ziekte of arbeidsongeschiktheid werd genoten.
Pensions Actuarial & Insurance Services van PricewaterhouseCoopers Belastingadviseurs.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.