nieuws

Als twee honden vechten om een been…

Archief

(Een beschouwing naar aanleiding van Hoge Raad 30.6.1995 Rechtspraak van de Week 1995 nr 155)

door mr F. Staderman
Aan bovenstaand spreekwoord moest ik denken bij lezing van dit arrest. Wat was er aan de hand ?
Een bedrijf heeft een verzekering voor bedrijfsschade en een verzekering voor schade aan de inventaris afgesloten. Op enig moment (in 1981) brengt een derde aan bedrijfsgoederen van de verzekerde schade toe. De schade wordt begroot op f 485.000,-. De verzekeraar weigert aanvankelijk de schade te vergoeden. Wanneer in kort geding de president van de arrondissementsrechtbank de verzekeraar veroordeelt om aan de verzekerde een voorschot van f 120.000,– te betalen, stelt de verzekeraar aan haar verzekerde voor om de zaak te regelen met behulp van een “geldleningsconstructie”. De verzekeraar beoogt daarmee op dat moment een eventueel verweer van de aansprakelijke derde te ontzenuwen dat onder de polis onverplicht zou zijn uitgekeerd; dan immers zou de verzekeraar niet in de rechten van de verzekerde door subrogatie in de rechten van de verzekerde zijn getreden.
De afspraak en hoe het misging
De verzekerde gaat in op het voorstel. Afgesproken wordt dat de verzekeraar aan de verzekerde bij wijze van renteloze lening een bedrag ad f 485.000,– verstrekt; de verzekerde geeft aan de verzekeraar onherroepelijk volmacht om voor en namens haar de schade op de derde te verhalen. De verzekeraar gaat vervolgens over tot dagvaarding van die derde (maar doet dat) op naam van haar verzekerde. Tijdens de procedure wordt de verzekerde in staat van faillissement verklaard. De curator zet de procedure voort waarna de rechtbank de derde veroordeelt om aan de curator een bedrag ad f 130.000,– met rente en kosten te betalen. Uiteindelijk betaalt die derde in het kader van een minnelijke regeling een bedrag van f 200.000,–. Het bedrag wordt gestort op een gezamenlijke rekening van de curator en de verzekeraar.
Deze twee laatsten kunnen het niet eens worden over de vraag wie rechthebbende is op dat bedrag van f 200.000,–. De curator meent dat het bedrag aan de boedel toebehoort en dat de verzekeraar op de boedel een concurrente vordering tot afdracht heeft. De verzekeraar meent dat het bedrag ad f 200.000,– haar toebehoort, mede gelet op het feit dat zij de schade ten bedrage van f 485.000,– al aan de verzekerde had voldaan.
De procedure
De rechtbank en het hof stellen de curator in het gelijk. In cassatie klaagt de verzekeraar over de beslissing van het hof. De klachten die tegen die beslissing worden aangevoerd, berusten volgens de Hoge Raad alle op het uitgangspunt dat de “geldleningsconstructie” moet worden beschouwd als “een loutere schijnhandeling”. De tussen de verzekeraar en de verzekerde gesloten overeenkomst is namelijk in werkelijkheid aldus bedoeld – zo betoogt de verzekeraar – dat de betaling van f 485.000,– “intern” moest worden aangemerkt als een finale en verplichte uitkering onder de polis. Om die reden, aldus de verzekeraar, is er wel degelijk sprake van subrogatie in de rechten van de verzekerde. Dit betekent dat ruim vóór de faillietverklaring van de verzekerde de vordering op de derde is overgegaan in het vermogen van de verzekeraar. Daarnaast beroept de verzekeraar zich nog op de redelijkheid en de billijkheid. Tenslotte voert de verzekeraar aan dat de curator door de betaling van het bedrag ad f 200.000,– ongerechtvaardigd wordt verrijkt.
De Hoge Raad is het met dit alles niet eens.
Waarom de curator gelijk kreeg
De verzekeraar wilde nu juist kennelijk koste wat kost vermijden op eigen naam op te treden hetgeen wel het geval zou zijn geweest bij subrogatie ex artikel 284 K en bij cessie. De verzekeraar heeft om haar moverende redenen daarvoor niet gekozen.
Het hof heeft dan ook – aldus de Hoge Raad – niet ten onrechte geoordeeld dat geen sprake was van een schijnhandeling maar van een constructie die naar de werkelijke bedoeling van partijen ertoe strekte te voorkómen dat de verzekeraar zou worden gesubrogeerd in de rechten van de verzekerde ten opzichte van de derde.
Het beroep op de redelijkheid en de billijkheid die eraan in de weg zouden staan dat het bedrag ad f 200.000,– in de boedel valt, wordt eveneens verworpen; het hof heeft overwogen dat er geen reden is om dwingende regels van faillissementsrecht te doorbreken met een beroep op maatstaven van redelijkheid en billijkheid, te minder nu de verzekeraar bij de gekozen constructie met de consequenties van een faillissement rekening had kunnen houden. Dit oordeel is in de ogen van de Hoge Raad evenmin onjuist.
Ook het argument dat de boedel door de ontvangst van het bedrag ad f 200.000,– ongerechtvaardigd wordt verrijkt, redt het niet. Tegenover die verrijking, bestaande in de ontvangst van het bedrag ad f 200.000,–, bestaat de verplichting om de aanspraak van die verzekeraar op betaling van het bedrag ad f 200.000,– als, zij het concurrente, vordering te erkennen.
Moraal
De moderne rechtspraak staat niet sympathiek tegenover juridische constructies die moeten leiden tot vergroting van verhaalsmogelijkheden. Zie Hoge Raad 10 juni 1988 NJ 1989 nr 30 waarin niet werd goedgevonden dat met behulp van een cessie aan de wederpartij een beroep een exoneratiebeding werd ontnomen. In zijn conclusie schreef de advocaat-generaal ook:
“het behoort uiteindelijk geen verschil te maken of iemand die aansprakelijk is uit onrechtmatige daad, op een mede-aansprakelijke persoon verhaal zoekt krachtens zijn wettelijk regresrecht of krachtens het hem door de benadeelde gecedeerde vorderingsrecht.”
Wie zich toch aan een juridische constructie waagt (en ik moet toegeven: voor verzekeraars en hun advocaten zijn de verleidingen af en toe erg groot) moet dan ook wel heel erg zeker van zijn zaak zijn. Deze verzekeraar was dat in ieder geval niet, want zag zich gedwongen om bij de Hoge Raad te betogen dat wat zij had aangemerkt als een “geldleningsconstructie”, moest worden beschouwd als een “loutere schijnhandeling”.
Op zichzelf is het natuurlijk onredelijk wanneer een verzekerde terzake van dezelfde schade twee keer een uitkering ontvangt. Maar wie zich van slimmigheidjes bedient, kan op tegenwind rekenen.
Wanneer een verzekeraar tot dekking verplicht is, gaat de rechter doorgaans er niet in mee als de verzekeraar de uitkering een andere grondslag geeft; vergelijk rechtbank Amsterdam 21.12.1988 NJ 1990 nr 379 en Verbondscommissie Samenloop uitspraak nr 61. In deze kwestie ging de rechter daarmee juist wel accoord en dat werd de verzekeraar fataal.
Zo ging de curator met het been heen, terwijl verzekeraar en de aansprakelijke derde er om vochten.
Intrigerend blijft intussen waarom deze constructie is gekozen ter afwering van het gevreesde verweer dat de uitkering door de verzekeraar onverplicht was. Als ondanks het vonnis waarbij de verzekeraar was veroordeeld om aan de verzekerde uit te keren, voor dat verweer gegronde vrees bestond, dan zou een cessie toch een geëigend middel zijn geweest ? Zouden er andere motieven gespeeld hebben, bijvoorbeeld de mogelijke toepasselijkheid van de toen geldende Afstand van Regresverklaring van 1953 ?

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.