nieuws

Aansprakelijkheid exploitant parkeerruimtes en stallingen

Archief

door Mike Pinckaers

Kan de exploitant van een parkeer- of stallingsruimte aansprakelijk worden gesteld voor schade door diefstal of beschadiging van het gestalde vervoermiddel? Eigenaars die hun auto, scooter of dure mountainbike goed hebben verzekerd, zullen niet wakker liggen van deze vraag. Anders ligt het voor verzekeraars die alert zijn wat hun regresmogelijkheden betreft. En ook in advies tegenover verzekerden zonder cascodekking kan kennis op dit terrein van nut zijn. In de volgende bijdrage een verkenning naar mogelijkheden en onmogelijkheden om een exploitant aansprakelijk te stellen.
De zorgplicht van een exploitant van een parkeerruimte of stalling is soms onder te brengen onder het juridische begrip ‘bewaarneming’. Daarvoor moet worden nagegaan of aan de eigenschappen van bewaarneming wordt voldaan.
De wet omschrijft in artikel 7:600 BW bewaarneming als de overeenkomst waarbij de ene partij, de bewaarnemer, zich tegenover de andere partij, de bewaargever, verbindt, een zaak die de bewaargever hem toevertrouwt of zal vertrouwen, te bewaren en terug te geven. De zaak hoeft niet per se eigendom van de bewaargever te zijn, bijvoorbeeld een werknemer met een auto van de zaak of een fietser met een geleende fiets.
De datum 1 januari 1992 is van belang omdat de verouderde regels rond ‘bewaargeving’ dan worden vervangen door een vereenvoudigd regime onder de naam ‘bewaarneming’ (boek 7 titel 9 BW). Sindsdien gelden als essentiële verplichtingen voor de bewaargever het bewaren én teruggeven van de zaak. Daarbij wordt algemeen aangenomen dat de bewaarplicht een inspanningsverbintenis is en de teruggaveplicht een resultaatsverbintenis. In het navolgende wordt uitgegaan van bewaarneming door een exploitant die in het kader van zijn beroep of bedrijf handelt.
Praktijk
In veel praktijksituaties is beslissend: is de overeenkomst daadwerkelijk op bewaring gericht en niet louter op het ter beschikking stellen van ruimte?
Van de laatste variant is doorgaans sprake bij afsluitbare stallingsruimtes, boxen of kluisjes waarbij de persoon die zaken deponeert, zelf een sleutel of code beheert. Er is dan slechts sprake van een overeenkomst sui generis, waaraan overigens ook zorgplichten kunnen zijn verbonden. Ander voorbeeld waarbij een streep door bewaarneming kan worden gezet zijn eenvoudige garderobes in restaurants of café’s. Neemt echter iemand van het horecapersoneel jassen en spullen aan om ze ergens op te bergen dan kan de uitkomst anders zijn.
Bij de vraag of een overeenkomst ook op bewaring is gericht, wordt behalve naar de overeenkomst naar omstandigheden van het geval gekeken, zoals naar verstrekte informatie aan klanten, bewaking en de manier van toevertrouwen van de zaak. Zo kan informatie van de aanbieder van parkeerruimte waarin melding wordt gemaakt van ‘bewaakt parkeren’, aanwezigheid van (loket)personeel, cameratoezicht, slagboombewaking en parkeerservice (hotels/congrescentra) waarbij personeel auto’s van gasten wegzet, op bewaarneming wijzen. In fietsenstallingen waarbij het personeel (brom)fietsen voorziet van een kaartje met nummer en het stallingsbewijs met corresponderend nummer controleert bij het verlaten van de stalling, wordt uitgegaan van bewaarneming. Andere veel voorkomende situaties waarbij sprake kan zijn van bewaarneming zijn stalling van caravans en stalling van boten op een haventerrein.
In parkeergarages zonder bewaking en zonder bijzondere vermeldingen, waarbij de automobilist een parkeerkaart uit een automaat trekt om in de garage te komen, zelf een parkeerplaats uitzoekt en zelf (na betaling) de slagboom opent met de kaart, zal bewaarneming niet snel worden aangenomen. Wel kunnen er buiten bewaarneming om zorgplichten voor de exploitant gelden.
Tekortschieten
De hoofdverplichting ‘bewaren’ houdt uiteraard meer in dan ‘niet weggooien’ en impliceert een bepaalde mate van zorg. De wet blijft hier nogal abstract: de bewaarnemer moet de zorg van een goed bewaarder in acht nemen. Wat deze zorg moet inhouden, is onder meer afhankelijk van de aard van de zaak (vergelijk de zorg voor een hond en die voor een auto) en van het gebruik.
In bewaakte parkeerruimtes en stallingen mag men mijns inziens blijkens de Memorie van Toelichting er van uitgaan dat de exploitant de plicht heeft de nodige maatregelen te nemen ter voorkoming van diefstal. Ook mag van een professionele bewaarnemer worden verwacht dat een verzekering tegen schadevoorvallen als diefstal en brand is gesloten – indien gangbaar – voor betreffende ruimtes. De zorg die de exploitant moet betrachten, is verder meestal in de overeenkomst uitgewerkt of juist beperkt.
Andere verplichting voor de bewaarnemer is, dat deze de zaak teruggeeft en wel in de staat waarin hij de zaak heeft ontvangen. Ontstaat er beschadiging gedurende de bewaarnemingsperiode die is toe te rekenen aan de bewaargever, dan kan schadevergoeding worden geëist op grond van de algemene bepalingen voor wanprestatie. De bewaarnemer kan vervolgens een beroep op overmacht doen, als hij niet kan nakomen waarbij deze wel de bewijslast heeft.
Schade op onopgemerkte wijze aangericht door andere bewaargevers (parkeerschade in garages, losgerukte remkabels bij fietsen) zal niet snel worden toegerekend aan de bewaarnemer als bewaargevers zelf vrijelijk hun vervoermiddel parkeren en weer ophalen.
Als geen sprake is van bewaarneming kan sprake zijn van niet-nakoming van zorgplichten die voortvloeien uit een overeenkomst sui generis. Het bewijs voor een benadeelde ligt hier moeilijker: deze moet bewijzen dat de exploitant onzorgvuldig heeft gehandeld. Toch zijn er situaties te bedenken waarbij er redelijke slagingskansen bestaan zoals bij gebreken in de inrichting (slagbomen die langere tijd niet functioneren, onjuiste weergave van de maximumhoogte voor voertuigen) of onjuist gedrag en het achterwege blijven van maatregelen (verkeerde aanwijzingen, uitblijven van maatregelen na sijpelend zuur uit plafond of na een lange reeks van diefstallen).
Exoneraties
De wettelijke bepalingen over bewaarneming vormen regelend recht. Exoneratieclausules in de overeenkomst met standaardvoorwaarden en verklaringen op bijvoorbeeld parkeerkaarten, abonnementen en bordjes, zijn in principe rechtsgeldig. In de praktijk wordt daar veel gebruik van gemaakt.
Niettemin kunnen uitsluitingen worden ‘gepasseerd’, daar waar ze onredelijk bezwarend zijn voor de consument. Zo zijn bedingen waarin alle aansprakelijkheid op voorhand wordt uitgesloten – en deze komen ook nog steeds veel voor in de praktijk – vernietigbaar. Ook exoneraties die regelrecht tornen aan de hoofdverplichtingen van de bewaarnemings-overeenkomst kunnen op weinig bijval rekenen bij de rechter.
Ander aspect is dat de parkeerder of staller een redelijke mogelijkheid moet hebben gehad om kennis te nemen van de exoneraties. Als verklaringen met exoneraties op moeilijk waarneembare plaatsen, in onbegrijpelijke formuleringen of in een zeer klein lettertype zijn vastgelegd of als niet wordt voldaan aan een verzoek om de algemene voorwaarden met exoneraties ter hand te stellen, dan kunnen uitsluitingen terzijde worden gesteld.
Hotelhouder
De zorg die de hotelhouder voor zaken van zijn logeergasten in acht moet nemen is speciaal geregeld in artikel 7:609 BW. Bij verlies of beschadiging daarvan is de hotelhouder aansprakelijk als een bewaarnemer.
Deze regel kan zich uitstrekken over vervoermiddelen van gasten geparkeerd in een hotelgarage. Voor deze bewaarneming hoeft geen speciale overeenkomst te zijn afgesloten. Beslissend is het woordje ‘in’: alleen zaken die ‘in’ het hotel worden meegenomen vallen onder de regeling.
Anders dan bij bewaargeving waarbij de zaken geheel onder de hoede worden gesteld van de bewaargever, blijven hotelgasten een zekere zorgplicht tegenover hun spullen houden. Onzorgvuldig gedrag zoals het niet afsluiten van ramen of deuren van de hotelkamer en het achterlaten van kostbare spullen in de auto die in de hotelgarage staat, kunnen door de hotelhouder worden tegengeworpen bij schade. Daardoor kan de vergoedingsplicht van een hotelhouder deels of geheel komen te vervallen.
Rechtspraak
De regels rond bewaarneming zijn slechts op beperkte schaal uitgekristalliseerd in uitspraken van rechters. Het gaat voornamelijk om lagere rechtspraak, waarbij diefstal uit bewaakte stallingen regelmatig opduikt.
Een belangrijke uitspraak vormt die van de kantonrechter Den Haag van 15 mei 1974 (Praktijkgids 1975, nr. 1038) – in stand gebleven in beroep bij de rechtbank – na de diefstal van een brommer uit een gemeentelijke stalling. De stelling van de gemeente dat louter sprake is van een publiekrechtelijke verhouding (precariobelasting) wordt door de rechter verworpen. Voor het publiek heeft die verhouding de schijn van bewaargeving, omdat met een exoneratieclausule wordt gewerkt en omdat controle plaatsvindt van (brom)fietsen die afgehaald worden. Daarnaast kapittelt de kantonrechter het beroep van de gemeente op de exoneratieclausule: een hoofdverplichting van een overeenkomst kan niet zomaar op deze wijze opzij worden gezet en bovendien is de enige waarschuwing ervoor op het stallingsbewijs heel erg klein gedrukt.
In meer recentere uitspraken draait het met name om toelaatbaarheid van exoneraties in bewaarnemings-overeenkomsten. Een minder duidelijke uitspraak is die van de kantonrechter Breda van 14 mei 1997 (Rechtshulp 1998, nr. 1) rond de diefstal van een mountainbike van f 1600. De beperking van aansprakelijkheid tot f 250 wordt niet onredelijk geacht door de kantonrechter nu de benadeelde staller er kennis van heeft kunnen nemen. De kantonrechter gaat in deze uitspraak voorbij aan de gangbare stel- en bewijsplicht waarbij de gebruiker van een zogenoemd ‘grijs beding’ (ex artikel 6:237 BW) behoort te bewijzen dat de exoneratie niet onredelijk bezwarend is. De kantonrechter Maastricht dwingt in hetzelfde jaar, op 27 augustus 1997 (TvC 1998, nr. 1), een stallingbeheerder na diefstal van een fiets het bedrag boven de exoneratielimiet van f 250 te vergoeden, nadat de benadeelde fietser geen mogelijkheid is geboden om kennis te nemen van de algemene voorwaarden waarin de aansprakelijkheidsbeperking is opgenomen.
Ook aan andere situaties van bewaarneming kunnen regels worden ontleend voor de praktijk. In een uitspraak van het Hof Den Bosch van 4 juni 1997 (TvC 1997, nr. 5) draait het om een gestolen Harley van een hotelgast uit een afsluitbare steeg, mede in gebruik van het hotel. Het Hof acht de hotelhouder niet als bewaarnemer aansprakelijk nu de motor zich niet ‘in’ het hotel bevindt.
Meer geluk heeft een bezoeker van een horecagelegenheid die zijn jas van f 1099 tegen betaling afgeeft bij de garderobe. Als bij het ophalen de jas vermist blijkt te zijn, doet de bewaarnemer een beroep op de aansprakelijkheidsclausule (‘De directie stelt zich niet aansprakelijk bij diefstal/vermissing’) vermeld op het entreebewijs en op een bordje bij de garderobe. De kantonrechter Rotterdam beslist op 4 april 1997 (TvC 1997, nr. 4) dat de exoneratie niet geldig is; de horeca-exploitant moet de jas uiteindelijk vergoeden. Voorbeelden van verdwenen auto’s waarbij de beheerder van de parkeervoorziening wordt aangesproken zijn er weinig. Van bewaarneming is vaak geen sprake. Wel wordt er bekeken of een zorgplicht is geschonden.
In een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 21 februari 1979 (VR 1979/56) blijkt dat de zorgplicht van de parkeerexploitant in sterke mate afhangt van de inrichting, de gebruikelijke werkwijze en de voor gebruikers kenbare mate van beveiliging. Deze laatste factor blijkt belangrijk bij het afwijzen van de vordering van een bestolen autobezitter. Deze zou onvoldoende reden hebben te veronderstellen dat ook bewaakt werd tijdens nachtelijke uren. Daarnaast geeft de rechtbank aan dat de parkeerexploitant niet automatisch wanprestatie pleegt door enkel de auto niet terug te geven. De benadeelde had hier eigenlijk moeten stellen en uitwerken dat de (beperkte) zorgplicht op verwijtbare wijze was geschonden.
Ander voorbeeld is de uitspraak van het Hof Den Bosch van 9 juli 1996 (TvC 1996, nr. 5) waarin het gaat om een auto van bijna / 80.000 die van een parkeerterrein is gestolen. Bij het terrein staat vermeld dat het terrein alleen toegankelijk is voor bezoekers van de horecagelegenheid en dat het door camera’s wordt bewaakt. De benadeelde leidt hieruit af dat de horeca-exploitant een zorgplicht heeft, waarin deze uiteraard tekort is geschoten. Het Hof meent echter dat uit de betreffende meldingen niet meer mag worden afgeleid dan dat het een middel ter afschrikking en opsporing van dieven betreft. Voor het aannemen van een zorgplicht hadden bijzondere omstandigheden aanwezig moeten zijn zoals afsluitbaarheid van het terrein of een permanente bewakingsdienst.
Conclusies
Bij diefstal of beschadiging van vervoermiddelen uit stallingen of bewaakte parkeergarages kan het interessant zijn om na te gaan of de exploitant hiervoor aansprakelijk kan worden gesteld. Daarvoor toetst u eerst of sprake is van bewaarneming. Is daar sprake van dan moet meestal bekeken worden of er exoneraties bestaan en of deze rechtsgeldig zijn. Is geen sprake van bewaarneming, inventariseer en concretiseer dan zoveel mogelijk welke zorgverplichtingen de exploitant heeft en ga na of de exploitant deze zorgverplichting op toerekenbare wijze niet is nagekomen.
In fietsenstallingen waarbij het personeel bij binnenkomst de fiets voorziet van een kaartje met nummer en het stallingsbewijs controleert bij het verlaten, is sprake van ‘bewaarneming’.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.