nieuws

Voorstel voor europese richtlijn voor assurantiebemiddeling

Archief

Voorstel voor europese richtlijn voor assurantiebemiddeling

Hoofdstuk I: toepassingsgebied en definities Artikel 1: Toepassingsgebied 1) In deze richtlijn zijn bepalingen opgenomen voor de toegang tot en de uitoefening van werkzaamheden op zowel het gebied van verzekeringsbemiddeling als herverzekeringsbemiddeling. 2) De EU-lidstaten behoeven deze richtlijn niet toe te passen op personen die verzekeringsovereenkomsten aanbieden welke aan alle volgende voorwaarden voldoen: a) de overeenkomsten vereisen geen bijzondere kennis van verzekeringen; b) de overeenkomsten zijn geen levensverzekeringsovereenkomsten; c) de verzekering dekt geen aansprakelijkheidsrisico’s; d) de tussenpersoon heeft een andere hoofdberoepsactiviteit dan verzekeringsbemiddeling; e) de verzekering is ondergeschikt aan de levering van een product of de verrichting van een dienst (bijvoorbeeld verzekering van het risico van defect, verlies of beschadiging van geleverde producten, of schadevergoeding voor goederen in verband met een geboekte reis); f) de premie is niet hoger dan 1.000 euro en de looptijd van de verzekering bedraagt minder dan één jaar.
Hoofdstuk II: inschrijvingsvereisten
Artikel 3: Inschrijving 1. Assurantietussenpersonen worden door een daartoe bevoegde instantie in hun lidstaat van herkomst ingeschreven in een register (of in registers). 2. Inschrijving is alleen mogelijk als aan de vereisten inzake beroepsbekwaamheid (zie artikel 4) is voldaan. 3. Ingeschreven tussenpersonen hebben toegang tot de gehele Europese Gemeenschap, zowel door middel van vrije vestiging (bijkantoor) als door middel van het vrij verrichten van diensten. 4. Het publiek moet gemakkelijk toegang hebben tot de in lid 1 bedoelde registers. 5. Verzekeringsmaatschappijen mogen alleen gebruik maken van de bemiddelingsdiensten van ingeschreven tussenpersonen. Artikel 4: Vereisten inzake beroepsbekwaamheid 1. Beschikken over voldoende algemene, handels- en vakkennis en beroepsbekwaamheid: deze eis geldt voor de leiding van assurantiekantoren, alsmede voor alle medewerkers die zich rechtstreeks met bemiddeling bezighouden. 2. Betrouwbaarheid: assurantietussenpersonen moeten een blanco strafblad hebben met betrekking tot het verzekeringsbedrijf en zij mogen niet voorheen failliet zijn verklaard, tenzij rehabilitatie overeenkomstig het nationale recht heeft plaatsgevonden. 3. Beroepsaansprakelijkheidsverzekering: een dergelijke verzekering (of een vergelijkbare waarborg tegen aansprakelijkheid als gevolg van beroepsnalatigheid) is verplicht tot een bedrag van ten minste 1.000.000 euro per schadevordering, tenzij een dergelijke verzekering/waarborg reeds wordt verschaft door een verzekeraar. 4. Klanten moeten beschermd zijn tegen het onvermogen van de assurantietussenpersoon om de premie aan de verzekeringsmaatschappij over te dragen of het bedrag van de schadevordering aan de verzekerde uit te keren. Mogelijke maatregelen zijn: (a) Conform de Wabb: door de klant aan de tussenpersoon betaalde bedragen worden geacht aan de verzekeraar te zijn betaald, terwijl door de verzekeraar aan de tussenpersoon betaalde bedragen worden geacht niet aan de klant te zijn betaald totdat de klant deze bedragen werkelijk ontvangt; (b) de tussenpersoon moet over een financiële draagkracht beschikken die permanent 8% van zijn jaarlijkse netto-inkomen beloopt, met een minimum van 15.000 euro; (c) geld van klanten wordt via strikt gescheiden klantenrekeningen overgemaakt en van deze rekeningen worden in geval van faillissement geen andere schuldeisers uitbetaald; (d) een garantiefonds. 5. Aan de vastgestelde beroepsvereisten moet permanent worden voldaan. 6. De lidstaten zien er op toe dat met name aan de in de leden 3 en 4 vastgestelde vereisten wordt voldaan. 7. Lidstaten mogen de vereisten aanscherpen of andere vereisten toevoegen voor de (her)verzekeringstussenpersonen die op hun grondgebied zijn geregistreerd. Artikel 5: Kennisgeving van vestiging en dienstverrichting 1. Elke assurantietussenpersoon die voornemens is zijn bedrijf in één of meer lidstaten uit te oefenen, moet de bevoegde autoriteiten van zijn lidstaat van herkomst hiervan vooraf in kennis te stellen. Deze autoriteiten doen, binnen een maand na deze kennisgeving, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat of lidstaten waar de tussenpersoon voornemens is zijn bedrijf uit te oefenen, mededeling van dit voornemen. 2. De tussenpersoon kan zijn bedrijf één maand na de datum waarop hij door de lidstaat van oorsprong is ingelicht, aanvangen. 3. De autoriteiten van de lidstaat waarin de tussenpersoon zijn werkzaamheden wenst uit te oefenen, delen binnen één maand de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst mee, of er eventuele bijzondere voorwaarden zijn waaronder het bedrijf op hun grondgebied moet worden uitgeoefend. Artikel 7: Sancties 1. De lidstaten stellen passende sancties vast voor het geval dat een persoon de werkzaamheid van assurantiebemiddeling uitoefent zonder in één van de lidstaten te zijn ingeschreven. 2. De lidstaten stellen verder passende sancties vast tegen verzekeringsmaatschappijen die gebruik maken van de bemiddelingdiensten van niet-ingeschreven personen. 3. De lidstaten stellen ten slotte passende sancties vast voor het geval een assurantietussenpersoon niet voldoet aan de vastgestelde nationale bepalingen. 4. De bevoegde autoriteiten werken samen en wisselen gegevens uit over: a) tussenpersonen tegen wie een sanctie is getroffen; b) nalatigheid, wangedrag of gebrekkig advies waarvoor tussenpersonen aansprakelijk worden geacht; c) tegen tussenpersonen ingestelde beroepsprocedures. 5. Voor de bevoegde instanties geldt ten aanzien van de sancties richting derden een beroepsgeheim. Artikel 8 en 9: Klachtenregeling 1. De lidstaten zorgen voor de instelling van een faciliteit die consumenten de mogelijkheid biedt klachten over assurantietussenpersonen in te dienen. 2. Lidstaten moedigen de invoering van klachten- en beroepsprocedures voor de buitengerechtelijke beslechting van geschillen tussen assurantietussenpersonen en consumenten aan.
Hoofdstuk III informatievereisten voor tussenpersonen Artikel
10: Te verstrekken inlichtingen 1. Voorafgaande aan de sluiting van een overeenkomst moet de assurantietussenpersoon de consument ten minste de volgende inlichtingen verstrekken: (a) Identiteit en adres van de tussenpersoon; (b) Of voor een groot aantal verzekeraars wordt bemiddeld (zie lid 2). Zo niet, dan moeten de verzekeraars genoemd worden waarmee voor elke risicocategorie zaken wordt gedaan; (c) De rechtstreekse of niet-rechtstreekse deelneming van een verzekeraar of diens moedermaatschappij van meer dan 10% van de stemrechten en het kapitaal in de assurantietussenpersoon, en vice versa van de tussenpersoon in een verzekeraar; (d) De contractuele verplichtingen om met één of meer verzekeraars zaken te doen; (e) Wie aansprakelijk moet worden geacht voor nalatigheid, wangedrag of gebrekkig advies van de tussenpersoon; (f) De klachtenprocedure; (g) Het register waarin de tussenpersoon is opgenomen. 2. Wanneer de assurantietussenpersoon verklaart voor een groot aantal verzekeraars te bemiddelen, dan dient hij ten minste advies te verlenen op grond van een onpartijdige analyse van de op de markt verkrijgbare verzekeringsovereenkomsten. 3. Voorafgaande aan de sluiting van een overeenkomst moet de tussenpersoon tenminste de verlangens en behoeften van de klant vastleggen en een toelichting geven op de elementen waarop zijn advies is gebaseerd. 4. De in de leden 1, 2 en 3 bedoelde inlichtingen behoeven niet te worden gegeven als de tussenpersoon bemiddelt bij de verzekering van grote risico’s of herverzekeringsrisico’s. Artikel 11: Voorwaarden inzake inlichtingen 1. Alle inlichtingen die de klanten op grond van artikel 10 moeten worden meegedeeld, dienen te worden verstrekt: (a) op papier of een andere duurzame drager die voor de klant verkrijgbaar en toegankelijk is; (b) op duidelijke, nauwkeurige en voor de klant begrijpelijke wijze; (c) in een officiële taal van de lidstaat van de verbintenis, of een andere taal die door partijen is afgesproken. 2. De in artikel 10 bedoelde inlichtingen mogen alleen mondeling worden meegedeeld als onmiddellijke dekking noodzakelijk is of door de klant wordt verlangd.
Hoofdstuk iv: slotbepalingen Artikel 13 De lidstaten doen de nodige
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 2003 aan deze richtlijn te voldoen. Artikel 14 Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Reageer op dit artikel