nieuws

Verbond wil meer duidelijkheid in regels bij tussentijds opzeggen

Archief

Het Verbond van Verzekeraars wil in gesprek gaan met het ministerie van Justitie om meer duidelijkheid te krijgen over de verschillende interpretaties van de parlementaire geschiedenis met betrekking tot wetsartikel 7:940 lid 3 BW (tussentijds opzeggen).

In een circulaire van de sector Schadeverzekering aan de leden van het Verbond is er vorige week op gewezen, dat de goede naam van het verzekeringsbedrijf gebaat is bij een zo consumentvriendelijk mogelijk handelen van verzekeraars. Aangeraden wordt – “behoudens in die gevallen waarin sprake is van strijdigheid met de uitgangspunten van redelijkheid en billijkheid” – zo ruimhartig mogelijk in te stemmen met de wens van een verzekerde om de polis tussentijds te beëindigen.
Juridische Commissie
Naar aanleiding van de beantwoording door minister Hirsch Ballin (Justitie) van Kamervragen over tussentijds opzeggen heeft het bestuur van de sector Schadeverzekering advies van de Juridische Commissie Schade (JCS) gevraagd. De JCS vindt, dat de interpretatie van artikel 7:940 BW die Hirsch Ballin heeft gegeven, niet strookt met de toelichting die destijds door de wetgever bij dit artikel is gegeven. Het antwoord van de minister zou betekenen dat, zolang oude voorwaarden nog van toepassing zijn, de verzekeringnemer uiteindelijk meer bevoegdheden blijkt te hebben om tussentijds op te zeggen dan de verzekeraar.
Toelichting wetgever
Volgens de JCS menen veel verzekeraars dat het van kracht worden van dit artikel, op grond van de toelichting die destijds door de wetgever is gegeven, niet inhoudt dat aan verzekeringnemers onbeperkte opzegmogelijkheden per premievervaldag worden gegeven.
“Hoewel de Raad van Toezicht en de rechter vrij zijn om de onderhavige Kamervragen en antwoorden in de besluitvorming over de bij hen in behandeling zijnde zaken over tussentijdse opzeggingen te betrekken, zullen zij bij de uiteindelijke beslissing toch ook rekening moeten houden met de toelichting die de wetgever bij artikel 7:940 lid 3 BW heeft gegeven”, betoogt de JCS. “Uit de Parlementaire Geschiedenis volgt dat ‘het nieuw voorgestelde derde lid van dit artikel beoogt de opzegmogelijkheden voor beide partijen gelijk te doen zijn. Dit vooral om evenwichtige opzegmogelijkheden te creëren’. Het antwoord van de minister op de Kamervragen strookt niet met dit nagestreefde principe.”
Overgangssituatie
“Voor de beoordeling van de zaak is nog in het bijzonder van belang dat thans sprake is van een overgangssituatie. Tal van polissen zijn na de inwerkingtreding van het nieuwe verzekeringsrecht per 1 januari 2006 blijven doorlopen op oude voorwaarden. Tot het aanpassen van lopende contracten bestond geen aanleiding, omdat de wetgever het nieuwe verzekeringsrecht op een aantal belangrijke punten niet op lopende contracten van toepassing heeft verklaard”, betoogt de JCS.
“Indien de wetgever bij de totstandkoming van de invoeringswet van mening was dat directe toepasselijkheid van artikel 7:940 BW op lopende contracten tot gevolg zou hebben dat aan verzekeringnemers een onbeperkte opzegmogelijkheid per premievervaldag ten deel zou vallen, had ook hier een overgangsrechtelijke regeling voor de hand gelegen.”
Klachteninstituut
Bij het Klachteninstituut Verzekeringen zijn circa dertig zaken met betrekking tot tussentijds opzeggen in behandeling, waarvan een handvol bij de Raad van Toezicht.
Diezelfde Raad van Toezicht oordeelde overigens in een klachtzaak in juli 1985, dat een verzekerde naar de létter van de polis mocht handelen.

Reageer op dit artikel