nieuws

Te late betaling lijfrentepremie blijft voor risico van verzekerde

Archief

Een lijfrentekoopsom die door de verzekeraar is ontvangen na de daarvoor gestelde termijn komt niet meer in aanmerking voor belastingaftrek. Dat de premie wel tijdig aan de tussenpersoon is betaald, doet niet ter zake, heeft de Hoge Raad onlangs geoordeeld.

Een zelfstandig ondernemer beëindigt zijn bedrijf en sluit van de stakingswinst een lijfrenteverzekering. Daarmee is een koopsom van _ 170.000 gemoeid. Dit bedrag wordt vóór 1 juli 1999 door de verzekerde aan zijn tussenpersoon overgemaakt, zodat de koopsom nog fiscaal in aftrek kan worden gebracht over het jaar 1998.
De Belastingdienst gaat echter niet akkoord, omdat het aanvraagformulier voor de lijfrenteverzekering pas op 14 juli 1999 is ondertekend en de koopsom op 21 juli van dat jaar door de verzekeraar is ontvangen. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarden van de toen geldende Wet op de inkomstenbelasting 1964, waar in is bepaald dat lijfrentepremies voor aftrek in aanmerking komen als de premies over een bepaald jaar zijn betaald of verrekend binnen zes maanden na afloop van het betreffende kalenderjaar, zo redeneert de Belastingdienst.
Hof
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt in maart 2006 echter dat de verzekerde een beroep kan doen op een beleidsbesluit van de toenmalige staatssecretaris van Financiën, waarin is opgenomen dat een termijnoverschrijding in bepaalde omstandigheden verschoonbaar is. In dat geval kan de zesmaandstermijn worden verlengd. Het moet daarbij gaan om een omstandigheid die de belastingplichtigde redelijkerwijs niet kan worden aangerekend.
De verzekerde verkeerde door een mededeling van de tussenpersoon in de veronderstelling dat hij door het storten van de koopsom op de rekening van de tussenpersoon had voldaan aan de voorwaarden voor aftrek van de premie, zo oordeelt het Hof. Overweging bij die redenering is dat niet is aangevoerd dat de verzekerde de tussenpersoon niet als ter zake kundig had hoeven aanmerken of dat er mogelijk andere redenen waren om de premie in juni 1999 te betalen.
Cassatie
Financiën gaat tegen de uitspraak van het Hof met succes in cassatie. De Hoge Raad oordeelt daarbij op 21 december vorig jaar dat de verzekerde zelf de consequenties moet dragen van mogelijk onujuiste voorlichting door de tussenpersoon: “De omstandigheid dat de belanghebbende door de tussenpersoon onjuist is ingelicht, dient voor risico van belanghebbende te blijven”, zo vindt de Hoge Raad. “Niet kan worden gezegd dat die omstandigheid belanghebbende niet kan worden aangerekend, als bedoeld in onderdeel a van het Besluit.” De Hoge Raad verwijst daarmee naar het eerdergenoemde beleidsbesluit dat verlenging van de betalingstermijn onder voorwaarden toestond. De koopsom komt daarmee niet in aanmerking voor aftrek over het jaar 1998.
De uitspraak van het Amsterdamse Gerechtshof wordt vernietigd; de Hoge Raad verwijst de zaak door naar het Hof in Den Haag voor verdere behandeling. De uitspraak laat de aansprakelijkheid van de tussenpersoon in de onderhavige kwestie in het midden.

Reageer op dit artikel