nieuws

Stichting Vie d’Or slaat klauwen uit

Archief

De Stichting Vie d’Or is klaar voor de strijd. Op basis van een door de fraude-experts van accountant KPMG opgesteld rapport heeft de stichting, ruim vier maanden na haar officiële start, onlangs de eerste in een reeks van claims neergelegd. Naar verwachting zullen de diverse acties om de maximale schade van zo’n f 185 mln te verhalen, enkele jaren gaan duren.

Bij de voormalige Vie d’Or-accountant Deloitte & Touche viel vlak voor de feestdagen een envelop van de Stichting Vie d’Or op de mat. Geen kerstkaart, maar een (mede-)aansprakelijkstelling voor het debâcle met de Veldhovense verzekeringsmaatschappij. Volgens de stichting had de accountant de jaarrekeningen over 1989 en 1992 niet mogen goedkeuren. In deze jaarrekeningen waren o.a. resultaat en vermogen te gunstig voorgesteld en zijn kostenposten onjuist verwerkt. Ook over de jaarrekeningen van de tussenliggende twee jaar bestaan twijfels.
De accountant heeft inmiddels laten weten geen aansprakelijkheid te erkennen. Daar was al op gerekend. Geheel volgens plan zal er nu een klacht ingediend worden bij de Raad van Tucht voor accountants. “Een uitspraak van deze Raad bevordert de wil om te praten over een schikking”, aldus stichtingsvoorzitter mr J.J. van Rijn (oud-bestuursvoorzitter van NN, nu commissaris bij ING) tijdens de presentatie van de KPMG-bevindingen. Hij verwacht dat een fors deel van de door de polishouders geleden schade verhaald kan worden op de accountant. Van Rijn: “Het is bepaald geen kale kip”.
Geheim rapport
Het geheime onderzoeksrapport van KPMG Forensic Accounting bevat een soort ‘Consumentenbond-overzicht’, waaraan door middel van kolommen met kruisjes af te lezen valt of de in het rapport besproken personen/bedrijven verwijtbare fouten hebben gemaakt en zo ja, hoe groot de kans is om met succes schadevergoedingsvorderingen tegen hen in te stellen.
De belangrijkste conclusie uit het rapport is de constatering van de belangenverstrengeling tussen Vie d’Or en aan groot-aandeelhouder/directeur Maes gelieerde vennootschappen. Deze vennootschappen zijn voor minimaal f 12 miljoen gefinancierd door Vie d’Or, zonder schriftelijke overeenkomsten en zonder het stellen van zekerheden (Hypotheekvisie staat in de boeken voor f 7 mln). Op het moment dat het bestaan van deze financieringen in het voorjaar van 1993 bekend werd, eisten accountant, actuaris en raad van commisarissen terugbetaling door Maes.
Na de ontdekking van de financieringen maakte Maes een ‘kasrondje’ om snel een deel van het geld aan Vie d’Or schijnbaar terug te betalen: er werd een zogenaamde provisiebetaling van f 2,6 mln gedaan aan de Maes-vennootschap Eerste Friesche in Amsterdam, waarna dit geld vervolgens door Maes weer werd gebruikt als een ‘afbetaling’ van de openstaande schuld.
Volgens de stichting kunnen de directieleden Maes en de in 1992 onder dwang van aandeelhouders vertrokken Van Santen verantwoordelijk gehouden worden voor de geconstateerde tekortkomingen en misstanden. Ook twee niet nader genoemde commissarissen zullen naar vewachting aansprakelijk worden gehouden.
Om naast het KPMG-onderzoek nog meer duidelijkheid te krijgen over het beleid en de gang van zaken bij Vie d’Or, heeft de stichting een verzoek ingediend bij de procureur-generaal van het Gerechtshof te Amsterdam. Deze heeft een enquête-verzoek ingediend bij de Ondernemingskamer van het Hof, dat zeer waarschijnlijk een nader onderzoek zal instellen.
Verzekeringskamer
Tot grote spijt van de Stichting Vie d’Or heeft de Algemene Rekenkamer nog altijd geen onderzoek ingesteld naar het toezicht op Vie d’Or door de Verzekeringskamer. Uit een advies van het advocatenkantoor Loeff Claeys Verbeke aan de stichting blijkt namelijk dat zowel de Verzekeringskamer als de Staat der Nederlanden verplicht kunnen worden tot het betalen van een schadevergoeding indien er sprake is geweest van onvoldoende toezicht. “Hebben we straks toch nog een soort garantieregeling”, grapte Van Rijn.
“We hadden gehoopt dat we gratis gebruik konden maken van de onderzoekingen van de Rekenkamer. Maar dat ging ons allemaal te lang duren. Derhalve hebben we KPMG opdracht gegeven een onderzoek in te stellen naar het feitelijk door de Verzekeringskamer uitgeoefende toezicht”, aldus Van Rijn.
Opmerkelijk is dat KPMG meent dat inzage in VK-dossiers over Vie d’Or (zoals de Rekenkamer eist), niet nodig is voor een onderzoek naar het toezicht. “Wij zullen ons baseren op de correspondentie tussen Vie d’Or en de Verzekeringskamer zoals die aanwezig is in de aministratie van de verzekeraar”, aldus fraude-expert Ten Wolde van KPMG.
Niet hoopvol
De stichting is niet hoopvol gestemd over een eventuele procedure tegen het Amerikaanse bedrijf Merrill Lynch, dat door het eenzijdig opzeggen van een beleggingscontract met Vie d’Or voor een schade van vele tientallen miljoenen zorgde. Momenteel worden de succeskansen van een eventuele procedure in kaart gebracht door een advocatenkantoor in New York, maar bestuurslid J. Idenburg liet al doorschemeren dat de stichting hier bijzonder weinig kans maakt.
Met de rechtsbijstandverzekeraars gaat de Stichting Vie d’Or binnenkort rond de tafel zitten om te spreken over de rol die zij kunnen spelen. In feite verricht de Stichting veel werk waar de rechtsbijstandverzekeraars van profiteren. Als het aan Van Rijn ligt, zullen zij daar een bijdrage voor gaan leveren. “Ik vind het niet erg dat ze bij ons op de bagagedrager meerijden, maar daar moeten ze dan wel voor betalen”, aldus Van Rijn. ***** KADER *****
Vorderingen op tussenpersonen
Bij zo’n honderd tussenpersonen die zaken deden met Vie d’Or liggen volgens de Stichting vorderingen van in totaal f 17 mln. Het overgrote merendeel van hen ontkent iets aan Vie d’Or schuldig te zijn. Volgens Van Rijn is de Stichting bij deze vorderingen echter uitgegaan van de Vie d’Or-administratie. “We zijn niet eerst alle vorderingen stuk voor stuk gaan controleren. Ik neem aan dat men het ons laat weten als een vordering niet klopt”.
Inmiddels losten 15 tussenpersonen hun schuld af voor een totaalbedrag van f 400.000. Ruim f 9 mln van het totale aantal vorderingen is verdeeld over de vier grote tussenpersonen van Vie d’Or: Blokland Willemsen in Rotterdam, het failliete Alexander & Cooke in Nieuwegein, Eerste Friesche in Amsterdam en Wouters & Van Arkel in Utrecht. Een Antilliaans dochterbedrijf van Blokland & Willemsen, Xenophon genaamd, ontving bovendien f 11 mln als een vergoeding voor ontwerp- en reseachkosten van het IDP-produkt van Vie d’Or. Volgens de Stichting staat deze betaling in geen verhouding tot de geleverde prestatie, wordt hij niet toegelicht in de jaarrekening en is hij verwerkt als zijnde betaalde provisie.
Van Rijn: “Hebben we straks toch nog een soort garantieregeling”.

Reageer op dit artikel