nieuws

Stichting Vie d’Or na uitspraak Hoge Raad: Verzekeringskamer juicht

Archief

te vroeg

Volgens de Stichting Vie d’Or is het absoluut voorbarig om op grond van een recente uitspraak van de Hoge Raad te concluderen dat de Verzekeringskamer geen wanbeleid kan worden verweten inzake het faillissement van levensverzekeraar Vie d’Or.
De Stichting Vie d’Or, die de belangen van gedupeerde polishouders behartigt, reageert hiermee op de interpretatie door de Verzekeringskamer van een arrest van de Hoge Raad waarin een beschikking van de Ondernemingskamer is vernietigd. “De Hoge Raad doet geen inhoudelijke uitspraak, maar heeft de beschikking vooral op formele gronden vernietigd”, aldus woordvoerder Hans van Ronkel van de stichting.
Hij wijst er op, dat het cassatieverzoek een periode van zes weken betreft en dus niet de gehele bestaansperiode van Vie d’Or, die inzet is van de civiele procedure.
De Verzekeringskamer is tevreden met het van tafel vegen van het voor haar als toezichthouder uiterst pijnlijke ‘wanbeleid-oordeel’ en moet lachen om de goede hoop van de Stichting Vie d’Or.
Noodregeling
Het geding bij de Hoge Raad ging om de vraag of de toezichthouder zich in 1993 schuldig maakte aan wanbeleid. De Verzekeringskamer had op basis van een (in de wet geregelde) noodregeling de leiding bij de op dat moment met omvallen bedreigde levensverzekeraar Vie d’Or overgenomen, in de persoon van ‘stille bewindvoerder’ Cor Boet (ex-Amev).
De noodregeling op zich vormde voor de Amerikaanse zakenbank Merrill Lynch het sein om de voor Vie d’Or zéér gunstige geldlening van zo’n f 200 mln in te trekken, aangezien de noodregeling een in het kredietcontract opgenomen ‘event of default’ betrof. Beëindiging van het contract betekende ‘kassa’ voor Merrill Lynch; het directe voordeel voor de bank betrof zo’n f 35 mln.
Het intrekken van de kredietfaciliteit bracht het faillissement van Vie d’Or nog wat sneller dichterbij, waardoor uiteindelijk twaalfduizend polishouders financieel gedupeerd raakten.
Laks
Volgens de Stichting Vie d’Or en de curatoren in het faillissement is de toezichthouder laks geweest bij de behandeling van de geldlening van Merrill Lynch. Allereerst omdat de toezichthouder zich niet goed heeft verdiept in de contracten, vervolgens omdat het zich te laat realiseerde dat de bank de noodregeling zou gebruiken om het contract te beëindigen (zelfs de omstreden oprichter Frans Maes had de toezichthouder op het gevaar gewezen) en vervolgens omdat de Verzekeringskamer niet in onderhandeling is gegaan met de bank over de eindafrekening en daar dus ook geen enkel voordeel uit heeft kunnen slepen.
In eerste instantie leek de rechterlijke macht het met de Stichting Vie d’Or en de curatoren eens te zijn. De Ondernemingskamer in Amsterdam onderschreef de kritiek en betitelde de werkzaamheden van de Verzekeringskamer bij Vie d’Or inzake het kredietcontract zelfs als ‘wanbeleid’. Bij de Stichting Vie d’Or werd al in de handen gewreven bij de gedachte dat deze uitspraak kon worden ingebracht bij de civiele procedure tegen de Verzekeringskamer.
Kritiekpunten
De Verzekeringskamer ging in cassatie tegen de uitspraak van de Ondernemingskamer en voerde onder meer aan, dat Merrill Lynch contractueel bevoegd was om de overeenkomst met Vie d’Or op te zeggen.
De Hoge Raad stelt: “De Ondernemingskamer heeft niet vastgesteld dat die stelling onjuist was. Daarom is zonder nadere motivering niet begrijpelijk op grond waarvan de Verzekeringskamer wordt verweten dat zij zich onvoldoende tegen opzegging van die contracten heeft verweerd”.
Ook zou de Ondernemingskamer een essentieel deel van het verweer van de toezichthouder niet betrokken hebben in haar oordeel. Zo was de financiële positie van Vie d’Or bij ingrijpen van de Verzekeringskamer al zodanig verzwakt, dat van continuïteit van de onderneming geen sprake meer was. Van onderhandelingsruimte bij Merrill Lynch was ook geen sprake: daar wilde men geen enkele discussie over de beëindiging van het contract, ondanks inschakeling van diverse plaatselijke advocaten door de Verzekeringskamer. Ook beschikte de toezichthouder niet over de door de bank gewenste garanties en aflossing van de lening was geen reële optie. Volgens de Hoge Raad had de Ondernemingskamer het voornoemde verweer in haar oordeel niet onbesproken mogen laten, “omdat daaruit had kunnen volgen dat de Verzekeringskamer niet anders heeft kunnen handelen dan zij heeft gedaan, althans dat haar handelen of nalaten niet gekwalificeerd mag worden als wanbeleid.”
Niet blij
Hans van Ronkel zegt als woordvoerder van de Stichting Vie d’Or, dat de Verzekeringskamer met deze uitspraak van de Hoge Raad nog geen definitieve overwinning heeft geboekt.
“Wij zijn niet blij met deze uitspraak, dat is duidelijk. De beschikking van de Ondernemingskamer waarin de toezichthouder wordt beschuldigd van wanbeleid was vanzelfsprekend een prettige steun in de rug bij de lopende civiele procedure. Daarbij vragen wij de rechter onder meer de Verzekeringskamer te veroordelen tot vergoeding van de door de polishouders geleden schade. Wij verwachten dat de Ondernemingskamer, rekening houdend met de aanwijzingen van de Hoge Raad, tot een soortgelijke conclusie zal komen. In ieder geval blijven de uitspraken van de Ondernemingskamer ten aanzien van bestuurders en commissarissen onverkort overeind.”
De raadsman van de Verzekeringskamer mr. R. Meijer van Houthoff Buruma wuift in de Staatscourant het optimisme van de Stichting Vie d’Or smalend weg: “Er is volgens mij geen nieuwe beschikking van de Ondernemingskamer denkbaar waarbij de Verzekeringskamer alsnog de kous op de kop krijgt”. Ook voor de nog lopende civiele procedure heeft Meijer nu goede hoop: “Het was voor die procedure zeer gunstig geweest indien de rechter had vastgesteld dat er sprake was van wanbeheer. Dat is echter niet gebeurd, en daarmee ontvalt mijns inziens de basis aan een schadevergoedingseis tegen de Verzekeringskamer.”

Reageer op dit artikel