nieuws

Status garantiefondsen blijft onduidelijk na aanpassing WFT

Archief

Minister Zalm van Financiën heeft in de zesde nota van wijziging bij de Wet op het Financieel Toezicht (WFT) opgenomen dat waarborg- en garantiefondsen geen schadeverzekeringsactiviteiten mogen uitoefenen. De WFT laat echter nog veel ruimte voor uitzonderingen.

In de wettekst is nu voor garantie- en waarborgfondsen een algemene verbodsbepaling opgenomen om zonder vergunning schadeverzekeringsactiviteiten te ontplooien. Het oordeel wanneer er sprake is van dergelijke activiteiten, wordt overgelaten aan De Nederlandsche Bank (DNB).
Op het verbod gelden twee uitzonderingen: fondsen die onder een vorm van overheidstoezicht staan of die een beroep kunnen doen op een van overheidswege verstrekte garantie (zoals de Nationale Hypotheek Garantie), fondsen die binnen een beperkte kring waarborgen aanbieden. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om bij ministeriële regeling vrijstelling te verlenen van het verbod én DNB kan in individuele gevallen besluiten een ontheffing te verlenen.
De wijziging volgt op Kamervragen over garantieverstrekker SGWN, die door toezichthouder DNB als vergunningplichtig is aangemerkt. Het College van beroep voor het bedrijfsleven oordeelde vorig jaar dat in dat geval alle soortgelijke fondsen een vergunning moeten aanvragen.
Discussie
De discussie over het al dan niet vergunningplichtig zijn van garantie- en waarborgfondsen loopt al langere tijd en is nog steeds actueel doordat op SGWN, die bouwgaranties afgeeft zodat bij faillissement van de aannemer de bouw kan worden voltooid, sinds twee maanden de noodregeling van toepassing is. De stichting is tegen die maatregel van DNB in beroep gegaan. Wel is inmiddels de onderlinge waarborgmaatschappij Garantborg opgericht.
Tamelijk vaag
“Het blijft tamelijk vaag”, is de eerste reactie van hoogleraar Verzekeringsrecht Gerard Kamphuisen. “Zalm doet datgene wat hij in zijn antwoord op Kamervragen al had aangekondigd. Hij plaatst garantiefondsen buiten het toezicht, maar dat staat ook al in de Wet Toezicht Verzekeringsbedrijf (WTV). Daardoor zijn de activiteiten van de Wegenwacht al vrijgesteld van toezicht.”
Kamphuisen is benieuwd hoe bijvoorbeeld de Stichting Waarborgfonds Koopwoningen (SWK) op de aanpassing zal reageren. De SWK verzorgt de afgifte van waarborgcertificaten van het Garantie Instituut Woningbouw (GIW). “Zij zullen niet graag in een uitzonderingspositie terechtkomen. Ik kan me voorstellen dat het aantrekkelijker is om onder toezicht te vallen.”
Naar het zich laat aanzien, heeft de wijziging van de WFT geen gevolgen voor de manier waarop DNB de SGWN beschouwt. “Wij gaan niet in op deze individuele zaak”, laat de toezichthouder formeel weten.
Onzeker voorval
In de WFT is alsnog de term ‘onzeker voorval’ toegevoegd aan het artikel over schadeverzekeringen. De term was in het nieuwe verzekeringsrecht juist komen te vervallen. “Dit zou een ongewenste uitbreiding van de toezichtwetgeving opleveren; met de toevoeging wordt duidelijk gemaakt dat de uitkeringsplicht het gevolg moet zijn van een onzeker voorval of een onzekere omstandigheid waardoor de verzekerde in zijn belangen wordt getroffen,” licht Zalm toe.
In het nieuwe artikel 7.17 van het Burgerlijk Wetboek luidt de definitie van verzekeringsovereenkomst: “Verzekering is een overeenkomst waarbij (…) bij het sluiten der overeenkomst voor partijen geen zekerheid bestaat, dat, wanneer of tot welk bedrag enige uitkering moet worden gedaan (…).” Daarmee in feite met andere woorden gezegd dat er sprake moet zijn van een onzeker voorval. “Ik denk dat Zalm niet de bedoeling heeft gehad om af te wijken van de tekst in het Burgerlijk Wetboek”, meent Kamphuisen. “Maar het geeft wel aan dat er een wetgever bezig is die van verzekeringsrecht niet al te veel weet. De kunst van de wetgeving is juist om zo min mogelijk afwijkende formuleringen te gebruiken voor hetzelfde begrip.”

Reageer op dit artikel