nieuws

RVS wacht op oordeel Raad van Toezicht bij tussentijds opzeggen

Archief

meerjarige polissen

ING-dochter RVS is het niet eens met het standpunt van minister Hirsch Ballin (Justitie) ten aanzien van het tussentijds opzeggen van een meerjarige polis door een verzekeringnemer. De maatschappij wacht een uitspraak van de Raad van Toezicht Verzekeringen af, waar enkele tientallen klachtzaken in behandeling zijn.
Hirsch Ballin beantwoordde onlangs vragen van het PvdA-Kamerlid Heemskerk, die waren gebaseerd op een artikel in AssurantieMagazine. Het ging daarbij om de terughoudende opstelling van RVS bij opzeggingen op grond van artikel 7:940 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
De minister antwoordde bevestigend op de vraag of het in strijd met het BW is, als de verzekeraar zich in de polis het recht toekent om het contract per premievervaldatum op te zeggen terwijl de verzekeringnemer dit alleen mag doen per contractvervaldatum (bij langjarige contracten). “Zijn mening wijkt naar ons oordeel af van hetgeen uit de parlementaire geschiedenis van de betreffende wettelijke bepaling is af te leiden”, aldus RVS desgevraagd. Bij de Raad van Toezicht zijn zo’n dertig zaken in behandeling waarin is geklaagd over het niet-akkoord gaan van een ING-verzekeraar met een tussentijdse opzegging.
Visie Wansink
In het licht van de komst van het nieuwe verzekeringsrecht per 1 januari 2006, werd Nationale-Nederlanden eind 2005 al geconfronteerd met veel opzeggingen van verzekeringnemers per eerstvolgende premievervaldatum. Reden voor deze ING-dochter om advies in te winnen bij hoogleraar Verzekeringsrecht Han Wansink.
Volgens Wansink heeft het nieuwe verzekeringsrecht onder meer als oogmerk: de wederzijdse gelijkheid van rechten. “Dat uitgangspunt verdraagt zich mijns inziens niet met de opvatting dat de verzekeringnemer als een ‘free rider’ zonder meer zonder enige redengeving per premievervaldatum de polis zou kunnen opzeggen, uitsluitend omdat de verzekeraar zich deze bevoegdheid in de polisvoorwaarden heeft voorbehouden.”
Wansink meent, dat dit in nog sterkere mate geldt als de verzekeringnemer tegen een premiekorting bewust gekozen heeft voor een verzekering met een contractuele looptijd van meer dan één jaar. Hij verwijst hierbij onder meer naar het ‘vertrouwensbeginsel’.
Herinnering
Wansink heeft er bij NN overigens wel op gewezen dat in je recht staan en daarin gelijk krijgen niet altijd logisch is. Hij herinnerde aan een uitspraak van de Raad van Toezicht in het kader van de uitleg van de en-blocclausule die het opzeggingsrecht voor de verzekeringnemer niet expliciet beperkte tot situaties waarin de dekking tussentijds ten nadele van de laatste werd gewijzigd. De betrokken maatschappij was niet akkoord met een opzegging, omdat een doorgevoerde en-blocwijziging ten gunste van de verzekeringnemer was. “Het is zeker niet uitgesloten dat de Raad of de rechter in het kader van de onderhavige problematiek een overeenkomstige uitspraak doet”, besloot Wansink zijn advies.

Reageer op dit artikel