nieuws

NBVA grotendeels tevreden, maar op onderdelen kan richtlijn beter

Archief

De Europese richtlijn voor assurantiebemiddeling is een goede stap vooruit als het gaat om (meer) consumentenbescherming vindt de NBVA. De tussenpersonenorganisatie is niet ontevreden over de nieuwe internationale spelregels, maar acht bepaalde onderdelen voor verbetering vatbaar.

Als positief ervaart de NBVA de erkenning van de Europese Commissie dat de distributie van verzekeringen voor de helft voor rekening komt van het intermediair. Die dominante positie zal volgens de NBVA niet afnemen gezien ook de overtuiging van de Europese Commissie dat de adviesbehoefte van consumenten zal groeien door de complexiteit van producten en wetgeving. ,,Het is opvallend dat de Commissie daar een gekwalificeerde indicatie voor geeft”, benadrukt NBVA-voorzitter Alexander van Voorst Vader. Temeer, omdat de Europese Commissie grotere consumentenbescherming noodzakelijk vindt met het oog op een toename van de grensoverschrijdende dienstverlening in de particuliere markt, die vooralsnog slechts mondjesmaat heeft plaatsgehad.
In dat licht bezien acht Van Voorst Vader het uiterst belangrijk dat de ontwerprichtlijn geen uitsluitingsbepalingen bevat voor tussenpersonen die niet grensoverschrijdend werken. Deze ontsnappingsclausule was aanvankelijk wel in het voorontwerp opgenomen, zegt Van Voorst Vader. ,,Dat zou verschil in consumentenbescherming hebben opgeleverd. Gelukkig is de lobby van Bipar en enkele lidstaten succesvol geweest op dit punt.” Succesvol noemt hij ook de lobby vanuit ons land naar ‘Brussel’ over de financiële capaciteit van een assurantiekantoor. In de ontwerprichtlijn is vastgelegd dat het intermediair om solvabiliteitsredenen moet voldoen aan vermogensvereisten, bijvoorbeeld door een percentage van de brutopremie in verplicht in kas te houden dan wel daarvoor een garantieverzekering te sluiten. ,,In ons land geldt voor dit onderdeel al een wettelijk sluitende regeling ter bescherming van de consument. Betalingen aan de tussenpersoon worden geacht te zijn voldaan aan de verzekeraar. Omgekeerd zijn schade-uitkeringen pas voldaan aan de verzekerde, indien deze het geld ook in handen heeft. Voor zover ik weet heeft ons land als enige op dit punt een vrijstelling.” Zorgelijk De ontwerprichtlijn zal niet generiek van toepassing worden op alle (inter)nationale tussenpersonen. De nieuwe spelregels gelden alleen voor tussenpersonen die de bemiddeling in verzekeringen als hoofdberoep hebben. Een gemiste kans, betreurt Van Voorst Vader hardop. ,,Ik vind dit zorgelijk. Personal planners, hypotheek- en beleggingsadviseurs met niet-verzekeringsgebonden producten, maar ook accountants die pensioenadviezen geven, vallen nu niet onder de scope van de richtlijn. Alsof kwaliteit van advies, permanente educatie en registratie voor deze categorie niet nodig is met het oog op consumentenbescherming.”
Ronduit onaanvaardbaar evenwel vindt de NBVA-voorzitter dat de groep van tussenpersonen die verzekeringen niet als hoofdberoep hebben buiten schot blijven. “Te denken valt aan bepaalde verzekeringsagenten in Duitsland of die ene oma van 82 die nog drie middagen actief is in assurantiebemiddeling. Deze groepen bemiddelaars zijn vrijgesteld, hoewel zij – in het belang van meer consumentenbescherming – juist veel eerder waarborgen zouden moeten geven op het gebied van vakbekwaamheid. Wij als NBVA zullen zowel richting nationale overheid als richting Europees parlement en Europese Commissie stappen ondernemen om hierin verandering te brengen. Want het zou erg gevaarlijk zijn als deze groepen erbuiten blijven vallen.” Principieel onjuist acht Van Voorst Vader ook de vrijstelling voor aanbieders van voorwerpgebonden verzekeringen, zoals garantieverzekeringen op huishoudelijke apparaten en fietsverzekeringen. ,,Het is historisch zo gegroeid, maar het blijft inconsistent. Met het oog op de mogelijkheid van dubbele dekkingen zou het zinvol zijn geweest om ook deze groep onder de werking van de richtlijn te brengen.” Een positieve wijziging ten opzichte van de huidige situatie is dat banken en loondienstagenten straks wél onder de reikwijdte van de richtlijn komen te vallen. “Dit is een hartstikke goede zaak”, onderstreept Van Voorst Vader. “Hetzelfde geldt min of meer voor reisbureaus. Op reisverzekeringen met een leven- of aansprakelijkheidcomponent is de richtlijn straks ook van toepassing. Dat betekent dat reisbureaus niet langer vrijgesteld zullen zijn, dan wel uitsluitend mogen bemiddelen in bagageverzekeringen. Dat is grote stap voorwaarts uit oogpunt van consumentenbescherming.” Enige problemen
Een moeilijk punt vindt de NBVA-voorzitter de invoering van een verplichte beroepsaansprakelijkheidsverzekering voor tussenpersonen. Hoewel principieel daarvan een groot voorstander, ook al verliezen NBVA en NVA daarmee hun onderscheidend vermogen, voorziet hij toch enige problemen. “Verzekeringsplicht betekent acceptatieplicht voor maatschappijen. Zij hebben zich daartegen altijd principieel verzet vanwege het morele risico van tussenpersonen. Als zelfregulering op dit punt uitblijft, is het de vraag hoe de overheid hiermee zal omgaan.”
Een punt dat voor verbetering vatbaar is, noemt Van Voorst Vader de wens van de Europese Commissie dat lidstaten bepalingen over permanente educatie opnemen in hun nationale wetgeving. “Voor zover ik het goed heb gelezen, bevat de ontwerprichtlijn hierover geen dwingend recht. Hoe dan ook,dit advies frustreert en blokkeert de vrijheid van tussenpersonen om nog zelf te bepalen of zij hun vakkennis willen bijhouden. De vraag is of dat ook via zelfregulering tot stand komt dan wel door tussenkomst van de overheid.” Pleidooi
Op het onderdeel informatieplicht juicht Van Voorst Vader het toe dat tussenpersonen naar de klant toe moeten aangeven of zij voor alle verzekeraars bemiddelen dan wel voor een geselecteerd aantal. In het laatste geval dienen namen, branches en mogelijke productieverplichtingen te worden vermeld. ,,Ik ben blij dat ons klemmend pleidooi is gehonoreerd. Verzekeraars met participaties groter dan 10% in assurantiekantoren moeten bekend worden gemaakt. Nog belangrijker is dat ook verzekeraars met meer dan 10% zeggingskracht in een assurantiekantoor aan dezelfde verplichting zijn onderworpen. Want ook met 1% van de aandelen kun je toch de totale zeggingskracht hebben in een tussenpersoon. Dit is een hele stap op weg naar volledige transparantie.”
Duidelijk moet ook worden gemaakt wie op een assurantiekantoor door de klant aansprakelijk kan worden gesteld voor gemaakte fouten. “Opvallend” zegt Van Voorst Vader. Minder noodzakelijk acht hij de verplichting dat tussenpersonen schriftelijk verklaren hoe zij tot hun verzekeringsadvies zijn gekomen. “Het is te bureaucratisch en onpraktisch om dit in alle gevallen te verlangen. Wel zie ik een groeiende noodzaak tot schriftelijke dossieropbouw, bijvoorbeeld door van telefoongesprekken met klanten een aantekening te maken. Juist in het kader van aansprakelijkheid en daarmee van consumentenbescherming, is op dit punt nog veel verbetering nodig.” NBVA-voorzitter Alexander van Voorst Vader: “Ook tussenpersonen met assurantiebemiddeling als nevenactiviteit moeten onder de richtlijn komen te vallen”.

Reageer op dit artikel