nieuws

Levensloop en de gebruikelijkloonregeling Sinds 1 januari van dit

Archief

jaar heeft iedere werknemer, dus ook een directeur-grootaandeelhouder (dga), de wettelijke mogelijkheid om 12% van zijn jaarsalaris te storten in de levensloopregeling

Mensen die zijn geboren tussen 1 januari 1950 en 1 januari 1955 zouden zelfs meer dan 12% kunnen storten. Ware het niet dat de dga dan in conflict komt met de zogeheten ‘gebruikelijkloonregeling’. Die regeling beoogt gekunstelde nihilsalarissen en daarmee belastingonttrekking te voorkomen. Door Alfred Lagendijk en Niels Romein Een storting van 12% is voor iedere werknemer, dus ook directeur-grootaandeelhouders, mogelijk als het levenslooptegoed op 1 januari nog géén 210% bedraagt van het voorafgaande jaarsalaris. Echter, voor werknemers en dga’s die geboren zijn tussen 1 januari 1950 en 1 januari 1955 geldt bovengenoemde jaargrens van 12% in beginsel niet. Voor hen geldt een overgangsregel, waardoor zij de mogelijkheid hebben om hun hele jaarsalaris in de levensloopregeling te storten. Wel geldt ook voor deze werknemers de voorwaarde dat er maximaal 210% van het brutojaarsalaris mag worden gespaard. In de fiscale adviespraktijk is nogal wat commotie ontstaan over de dga en het gebruik van de levensloopregeling. Deelname van de dga aan de levensloopregeling kan onder omstandigheden namelijk leiden tot toepassing van de zogenoemde ‘gebruikelijkloonregeling’. In dit kader zijn er door de Tweede Kamerleden Dezentjé, Hamming en De Vries vragen gesteld aan de staatssecretaris van Financiën. Deze vragen zijn in een brief van 21 maart beantwoord. Wat is gebruikelijk? De gebruikelijkloonregeling in de Wet op de loonbelasting 1964 bepaalt dat bij een dga ten minste een zogeheten ‘gebruikelijk loon’ in aanmerking moet worden genomen. Of het loon gebruikelijk is, wordt bepaald door dit loon te vergelijken met zakelijke vergoedingen die andere werknemers (niet-dga’s) in een soortgelijke dienstbetrekking zouden ontvangen. Vanuit praktisch oogpunt wordt op grond van de Wet op de loonbelasting een bedrag van ? 38.000 als minimum gesteld. Bij de bepaling of het loon gebruikelijk is, wordt uitgegaan van het loon dat voor de heffing van de loonbelasting wordt gehanteerd. Dit betekent dat het loon van een dga getoetst wordt nádat inleg in de levensloopregeling heeft plaatsgevonden. De vraag is dus of het loon na aftrek van de levensloopinleg niet lager dan gebruikelijk is. Recht op deelname Los van de gebruikelijkloonregeling heeft een dga het wettelijke recht om 12% van zijn salaris te storten. Dga’s die geboren zijn tussen 1 januari 1950 en 1 januari 1955 hebben zelfs het wettelijke recht om meer dan 12% van het jaarsalaris te storten in de levensloopregeling. De vraag is of dit wettelijk recht betekent dat de dga alsnog de mogelijkheid heeft te storten in de levensloopregeling zónder dat de gebruikelijkloonregeling van toepassing is. In de brief van 21 maart geeft de staatssecretaris van Financiën hier antwoord op. De gebruikelijkloonregeling is slechts van toepassing als het loon van de dga na inleg in de levensloopregeling ongebruikelijk laag is, in vergelijking met dat van andere werknemers in soortgelijke dienstbetrekkingen na inleg in de levensloopregeling. Hiervan kan volgens de staatssecretaris bijvoorbeeld sprake zijn als dga’s hun volledige salaris in de levensloopregeling storten. Van belang hierbij is dat de dga de kosten van zijn levensonderhoud in het betreffende jaar zou kunnen financieren door geld te lenen bij de eigen BV. Mocht de gebruikelijkloonregeling in deze situatie van toepassing zijn, dan heeft dat slechts tot gevolg dat de dga per saldo op dezelfde wijze in de loonheffing wordt betrokken als de werknemer die geen dga is, maar wel in een soortgelijke dienstbetrekking werkzaam is. Gezien dit voorbeeld is de staatssecretaris van Financiën niet voornemens om de gebruikelijkloonregeling zodanig aan te passen dat het wettelijk recht op deelname – en de daaraan verwante stortingsmogelijkheid – prevaleert boven de gebruikelijkloonregeling. Hierdoor zou de dga namelijk de mogelijkheid hebben om voor een ongebruikelijk loon in de loonheffing te worden betrokken. De gebruikelijkloonregeling is nu juist in het verleden ingevoerd om dit onmogelijk te maken. Nihilsalaris Ondanks het feit dat de staatssecretaris de gebruikelijkloonregeling niet wenst aan te passen, heeft hij uit praktische overwegingen een handvat voor de adviespraktijk aangereikt. In de situatie dat het loon van de dga vóór inleg in de levensloopregeling niet lager is dan het loon vóór inleg in de levensloopregeling van werknemers die geen dga zijn, kan er in ieder geval van worden uitgegaan dat de gebruikelijkloonregeling geen toepassing vindt. Voorwaarde is dat de inleg in de levensloopregeling niet hoger is dan 12% van het loon. Een dga heeft dus altijd de mogelijkheid om 12% van zijn jaarsalaris in de levensloopregeling te storten, zelfs als de dga een minimaal gebruikelijke loon van ? 38.000 ontvangt. Voor dga’s geboren tussen 1 januari 1950 en 1 januari 1955 is het mogelijk meer dan 12% van het jaarsalaris te storten, maar dan zal de dga aannemelijk moeten maken dat andere werknemers die in soortgelijke dienstbetrekkingen staan ook meer dan 12% storten in de levensloopregeling. Deze vergelijking kan problematisch zijn, aangezien een vergelijkbare directeur in loondienst gevonden moet worden. Vergelijkbaar in deze context is een directeur met eenzelfde salaris, werkzaam in dezelfde branche en in een vergelijkbare onderneming. De mogelijkheid tot het creëren van een nihilsalaris, waardoor optimaal gebruik wordt gemaakt van fiscale voordelen, zal in de praktijk niet mogelijk zijn. Het vinden van een directeur die genoegen neemt met een nihilsalaris is namelijk zoeken naar een speld in een hooiberg. Mr. A.S. Lagendijk en mr. N.E. Romein zijn beiden werkzaam bij de afdeling Pensions & Actuarial Services van PricewaterhouseCoopers Belastingadviseurs.

Reageer op dit artikel