nieuws

Jan Muller

Archief

NBVA en NVA hanteren ieder hun eigen systeem van permanente educatie. Jan Muller, voorzitter van de Federatie van Assurantieclubs vindt dit op zijn zachtst gezegd niet handig. “Dat is dus een van de redenen waarom er maar één brancheorganisatie zou moeten zijn.” Opleidingscentra van verzekeringsmaatschappijen zijn Muller ook een doorn in het oog. Hij pleit voor één landelijk opleidingsinstituut voor de verzekeringsbranche, een dagschool. “Nibe-SVV zou die functie moeten vervullen, maar dat gebeurt helaas nog niet”, zegt Muller.

door Manon Vonk
Jan Muller is al jarenlang betrokken bij het onderwijs in de branche. Sinds vorig jaar is hij voorzitter van de Federatie van Assurantieclubs. Muller is tevens algemeen directeur van De Leeuw Adviesgroep in Rijnsburg. Werkweken van zestig uur zijn eerder regel dan uitzondering. Als voorzitter van de Federatie laat hij een frisse wind waaien. Tijdens de jaarvergadering dit voorjaar op Terschelling stelde hij een cruciale vraag aan de orde: ‘Wat is het bestaansrecht van de assurantieclubs?’ Tegelijkertijd kondigde hij een onderzoek aan dat helderheid zou moeten brengen in onder andere de oorzaken van het teruglopende ledental van de assurantieclubs en hoe het nu toch verder moet met de clubs.
“Voor dat ik daar op in ga, wil ik eerst even terug in de geschiedenis van de assurantieclubs.” Muller verhaalt over het ontstaan van de clubs, die aan de wieg stonden van het mondeling onderwijs. Vooral van de B-cursussen, vanwege de wettelijke norm die daaraan ten grondslag ligt.
mondelinge opleidingen werden steeds hoger. Een aantal assurantieclubs hebben ongeveer tien jaar geleden de koppen bij elkaar gestoken en toen zijn er vijf à zes opleidingsstichtingen ontstaan. Het werd professioneler, doordat het aangepakt werd door mensen die er hun beroep van maakten. De docenten kwamen uit de praktijk. Een ideale combinatie van theorie en praktijk.” De cursussen werden aangeboden aan leden van assurantieclubs. Het ledental groeide hierdoor gestaag, want men kon alleen zo’n cursus volgen als men lid was of werd van zo’n assurantieclub.
de fusie met de SVV, waar ik nauw bij betrokken was. Tegenwoordig Nibe-SVV. Deze fusie had twee, overigens voorzienbare, gevolgen. Eén was de ontkoppeling. Men kon cursussen volgen zonder überhaupt lid te zijn van een assurantieclub. Het tweede gevolg was dat de assurantieclubs helemaal niet meer geconfronteerd werden met mondelinge opleidingen. Dit zijn twee belangrijke aspecten die een grote rol spelen bij een noodzakelijke en andere invulling van de rol van assurantieclubs. Dit vereist dus ook een andere marketingaanpak”, vertelt Muller.
Doelstelling
Ongeveer 90% van de werkzaamheden binnen assurantieclubs werd gedaan ten behoeve van mondelinge opleidingen. Daarnaast werden lezingen en excursies georganiseerd. “Deze rollen moeten worden omgedraaid. De doelstelling van assurantieclubs is nog steeds educatief gericht: het Verkrijgen van vaktechnische informatie over het gehele assurantievak. Deze doelstelling is én blijft gehandhaafd.”
“Binnen de Federatie leefde al een tijdje de vraag: Welke positie nemen de assurantieclubs en de Federatie nou eigenlijk in, in de markt? Er zijn momenteel veel marktpartijen die inleidingen, lezingen en educatief gerichte middagen organiseren. Daar moet overigens fiks voor betaald worden. De contributie voor het lidmaatschap van assurantieclubs daarentegen is niet hoog. Ik denk dat wij moeten overwegen om dat sterk te verhogen. Ik heb namelijk de indruk dat als de mensen er voor moeten betalen dat ze denken dat het dan beter is. Maar dat is puur een gevoelskwestie”, zegt Muller er snel achter aan.
de syllabus leest, weet je het ook.”
al vermoedde. “Uit het onderzoek komt naar voren dat wij behoorlijk moeten werken aan ons imago. Wij moeten ons beter positioneren in de markt, het moet allemaal toch wat professioneler aangepakt worden. Ik praat in algemene zin, want er zijn assurantieclubs die het uitstekend doen, vooral de grotere. Verder moet er een upgrading van de inhoud van de lezingen plaatsvinden.”
Wat betekent dat nou concreet?
optie is: voortkabbelen en kijken hoe het gaat. Een tweede optie is: professionele samenwerking aangaan met andere marktpartijen en het instellen van commissies die zich met een aantal zaken als imago, positionering en upgrading gaan bezig houden. De derde optie is dat de Federatie het initiatief neemt, de lijnen uitzet en dat de assurantieclubs volgen, maar dit gaat ten koste van de autonomie van de clubs. Bovendien kunnen we niets opleggen, omdat we geen sanctiemiddelen hebben.”
besturen van de clubs. deze kregen de opdracht om intern te bespreken welke optie de voorkeur verdient en of ze mensen in huis hebben die één en ander ook ten uitvoer kunnen brengen.
samenwerking. “Opvallend is dat er een groot enthousiasme was om in commissies zitting te nemen, zelfs met naam en toenaam.”
Projectgroepen
Eind juni heeft het bestuur van de Federatie met de voorzitters van de clubs gesproken. “Dat was een heel positief gebeuren. Ter plekke zijn drie projectgroepen samengesteld die elk een opdracht meekregen. De eerste is een marketingcommissie. Een tweede projectgroep zal zich bezighouden met de inhoud van de kennisoverdracht. Een derde projectgroep, samengesteld uit bestuursleden vanuit de Federatie, houdt zich bezig met imagoverbetering, samenwerking met NVA, NBVA en Verbond van Verzekeraars en de binding met de assurantieclubs.”
wordt gegeven aan de projectgroepen. “Het zijn autonome clubs. Als men eventueel externe deskundigheid wil inhuren, wordt dat door de Federatie betaald. Zo belangrijk vinden wij het dus wel.”
projectgroepen bij elkaar gekomen en er zullen tussenverslagen komen. Eind dit jaar moet duidelijk zijn hoe een en ander aangepakt gaat worden.”
aan mee te doen. Maar gezien de sfeer van de bijeenkomsten streven wij er naar dat er een uniformiteit in de uitvoering komt door alle assurantieclubs. Men heeft zich verbonden aan de doelstelling van de projectgroepen.”
van lezingen, die inhoudelijk van een hoog niveau moeten zijn en uiteraard actueel. Het educatieve karakter speelt een belangrijke rol. Verder kan men workshops organiseren in samenwerking met deskundigen.”
Welke rol speelt permanente educatie (PE) hierin?
komen voor PE-punten. Overigens moet dan wel voldaan worden aan bepaalde criteria die door de brancheorganisaties vastgesteld worden. Gezien het feit dat wij een grote doelgroep hebben van ongeveer 20.000 leden, is dat voor ons een instrument om mensen naar je toe te trekken als je goede spullen levert. Als je daar goed mee omgaat, zou je daar op het gebied van ledenwerving je voordeel mee kunnen doen. Ik ga nu wel een beetje op de commerciële toer. Het hele systeem van permanente educatie is echter nog wel wat prematuur.”
mag, en dat geldt voor het Verbond en voor de NVA en NBVA, eigen belang geen rol spelen. Ik vind niet dat er onderscheid gemaakt moet worden ten aanzien van onderwijs, of je nu NVA-lid of NBVA-lid bent. Op het terrein van permanente educatie is dat nu wel het geval.”
NVA en NBVA geven aan wat de richtlijnen zijn voor de puntentoekenning. Dit betekent dat assurantieclubs die lezingen of workshops organiseren bij de brancheorganisaties neerleggen wat de inhoud zal zijn, wie de lezing of de workshop geeft. Afhankelijk van de inhoud en deskundigheid geven de brancheorganisaties aan hoeveel PE-punten ze daaraan willen toekennen. “Een handicap is dat beide brancheorganisaties een andere structuur van PE-punten hanteren. Door middel van besprekingen proberen we daar wat aan te doen.”
komt. Dan sta je veel sterker. Zeker als je nu ook kijkt naar alle participaties van maatschappijen in assurantiekantoren die plaatsvinden. Er zijn alleen maar voordelen. Men weet dat ook wel. Het ligt vooral op menselijk vlak, maar het komt er ook wel. Binnen vijf jaar is er één brancheorganisatie.”
zou kunnen zien. “Een soort holding, waarbij men bestuurlijk op hoog niveau en politiek goed georiënteerd richting politiek en Verbond acteert. Met daaronder diverse ‘ deelbelangenbehartigers’. Dat zie ik wel gebeuren.”
Dagschool
Naast één belangenbehartiger is Muller ook een warm voorstander van één landelijk opleidingsinstituut. Het is hem een doorn in het oog dat verzekeraars hun eigen opleidingscentra hebben. “Ik ben een groot voorstander van een dagschool waar iedereen gebruik van kan maken en waar alles gedoceerd wordt en dat in combinatie met een goed georganiseerde, structurele aanpak op het gebied van stageplaatsen. Maar volgens mij is dat een utopie.”
willen zich met een eigen opleiding profileren. Een maatschappij zoals Nationale-Nederlanden wil liever cursussen waar oranje in zit.”
En de bedrijfstak moet het onderwijzen van het assurantievak laten prevaleren boven eigen belang.”
een nogal stoffig imago heeft. Reden te meer voor hem om te pleiten voor één landelijk instituut. “Ik ben zelf op scholen langs geweest. Iedereen probeert op zijn eigen manier wat aan dat imago te doen. Maar alle partijen zouden daar gezamenlijk veel meer aandacht aan moeten besteden. Want die doet eens een projectje hier en die bezoekt eens een school daar. Maar een structurele bedrijfstakmatige aanpak is er niet. Uit die structurele aanpak zou een landelijke opleiding moeten voortvloeien, waar starters en mensen die al in het vak werkzaam zijn, het brede assurantievak gedoceerd krijgen. Je moet er kunnen aankloppen voor een B-opleiding, maar ook voor een specialistische zorgopleiding en employee-benefits.”
is helaas feitelijk nog niet zo. Het Nibe-SVV is vooral ook diplomagericht. De Stichting Examens Assurantiebedrijf heeft onderzoek laten doen naar de B-opleiding. Ik verwacht dat steeds minder mensen de B-opleiding zullen volgen. Je gaat iemand die allerlei moeilijke hypotheekberekeningen moet uitvoeren en daarover moet adviseren, toch geen B-cursus laten doen? Het is een soort traditie. Wil je in het assurantievak aan het werk, dan moet je B hebben. Maar omdat de cursisten dan ongemotiveerd zijn, is het slagingspercentage zo laag.”
Jan Muller (52) is na zijn middelbare school als 18-jarige begonnen bij Fatum, de medische verzekeraar van de toenmalige Nederlanden van 1845. Daarna is hij drie jaar brandacceptant geweest bij de onderlinge LTB, nu Interpolis. Bij het Zoeterwoudse assurantiekantoor Van der Poel werkte hij in de commerciële buitendienst als assurantieadviseur, waarna hij 26 jaar geleden werd geronseld door De Leeuw Assurantiën. “Daar werkten toen vijf mensen, nu zijn het er ruim honderd.” Muller heeft zijn aandelenpakket in De Leeuw inmiddels overgedragen aan De Leeuw jr. “Ik begeef mij steeds meer in een adviserende rol ten opzichte van het managementteam. Ook in verband met continuïteit.”
“Ik zal geen tien jaar voorzitter zijn van de Federatie. Ik vind überhaupt dat bestuursleden wat vaker zouden moeten rouleren.”

Reageer op dit artikel