nieuws

‘Ik mis consistente pensioenvisie overheid’

Archief

Het discussiepunt van de laatste anderhalf jaar is zonder twijfel de afschaffing van de Wet op de Verplichte Deelneming in de bedrijfspensioenregeling. Pensioenfondsen en verzekeraars sloegen elkaar met grote regelmaat om de oren met feiten, rapporten, beleggingsresultaten en oneigenlijke argumenten. Ook in politiek Den Haag strijden Zalm, Wijers, Linschoten en Melkert om het hoogste woord. Namens het Verbond van Verzekeraars bevond en bevindt René van der Smeede zich constant in de frontlinie. Winst of geen winst, “Het is de moeite waard om voor te knokken.”

door Henri Drost
De discussie geraakte anderhalf jaar geleden in een stroomversnelling, toen staatssecretaris Linschoten van Sociale Zaken aan diverse instanties advies kwam vragen omtrent de verplichtstelling. “Het is in de afgelopen tijd het meest besproken onderwerp in onze branche geweest”, denkt Van der Smeede. Niet in de laatste plaats door toedoen van het Verbond van Verzekeraars zelf. Naast een advies aan Linschoten werd een heus mediaplan opgesteld.
“Je moet dat mediaplan niet zo zwaar zien”, relativeert Van der Smeede. “We hebben gewoon planmatig alle argumenten op een rijtje gezet. Zowel alle voors als de tegens. Vervolgens hebben we onze standpunten hierover in de media uitgedragen. Een mediaplan klinkt zo zwaar…”
Twee kernbegrippen in de argumentatie zijn: marktwerking en concurrentie. En alleen door opheffing van de verplichtstelling kan er werkelijk sprake zijn van marktwerking in de wereld van de aanvullende pensioenen. “Deelname aan een pensioenregeling mag best verplicht blijven. Maar de uitvoering van die regeling moet vrij zijn. Monopolieposities zijn onwenselijk. Concurrentie is goed voor de consument. Dat zie je overal. Daarom zijn ook kartelafspraken verboden. Concurrentie is een must!”, volgens de sectorvoorzitter Leven en daarnaast directielid van Aegon Nederland.
Pertinent onjuist
Wat Van der Smeede echter stoort in de discussie, is dat verzekeraars de concurrentie alleen onder voorwaarden zouden willen aangaan. Dat verzekeraars zich niet bekommeren om zogeheten ‘witte vlekken’ (bedrijven of sectoren zonder pensioenregeling), dat zij hun handen afhouden van slechte risico’s (bedrijven met relatief oudere en/of minder gezonde werknemers), dat zij vies zijn van solidariteit.
“Al die argumenten zijn pertinent onjuist. Wij hebben nooit gezegd dat we willen concurreren op gezondheid en leeftijd van een personeelsbestand. Een bedrijf doet in z’n geheel mee aan een pensioenregeling. Er vindt geen risicoselectie plaats. En als een bedrijf met veel jonge werknemers uit een fonds stapt, dan zullen wij het verzekeringstechnische nadeel aan dat pensioenfonds vergoeden. Een vertrekkend bedrijf is daardoor geen bedreiging voor de blijvers. Verzekeringstechnisch blijft de solidariteit in stand. Dat hebben we Linschoten ook duidelijk gemaakt.”
“Waar de verzekeraars op willen concurreren, is: beleggingsresultaten, uitvoeringskosten en kwaliteit van de dienstverlening. Die concurrentie zorgt voor een verlaging van de kosten en voor betere beleggingsresultaten. Daar gaat het om.”
Een markt van meer dan 550 miljard guldens, daar gaat het ook om. Natuurlijk, verzekeraars willen geld verdienen. Maar niet ten koste van de pensioenverzekerden. Nee, Van der Smeede is er zelfs van overtuigd dat concurrentie tussen pensioenfondsen en verzekeraars alleen maar in het voordeel is van de verzekerden.
Principieel
Maar wellicht het belangrijkste argument is er één van principiële aard. Van der Smeede is niet gesteld op onrechtvaardigheid. Iets duurder gezegd, hij verlangt een ‘level playing field’. “Als de overheid de verplichte deelneming aan bedrijfspensioenfondsen wil handhaven, dan vind ik dat op zich nog niet zo erg. Als ze daar maar goede argumenten voor hebben.”
“Zo’n argument kan zijn, dat de verplichting een onderdeel is van het sociale stelsel in Nederland. Dat is geen veld voor verzekeraars, maar voor instellingen die de wet – in dit geval een pensioenregeling – uitvoeren. En niet meer dan dat. Als de overheid dat wil, prima. Maar dan kan het niet zo zijn, dat het pensioenfondsen wordt toegestaan om aanverwante verzekeringsprodukten te gaan voeren; onder het mom dat de deelnemers daar behoefte aan hebben. Dat is gewoon van de gekke.”
“Die deelnemers hebben ook behoefte aan voordelige autoverzekeringen of goedkope vakantiehuisjes voor gepensioneerden. Nog even en dan gaan de pensioenfondsen ook die produkten aanbieden. Een ander voorbeeld is de Belastingdienst, die ziet dat lang niet elke Nederlander 100% gebruik maakt van zijn lijfrente-aftrek. Ik zie het al gebeuren dat de Belastingdienst straks een mailing gaat versturen om iedereen nog even te wijzen op een aantrekkelijke lijfrentepolis; onder het mom van extra service, goed voor de consument. Dat kan natuurlijk niet.”
“Nee, de overheid moet zorgen voor een level playing field. En dan moet je die verplichtstelling afschaffen en zorgen voor open concurrentie.”
Maar open concurrentie betekent dan toch ook dat pensioenfondsen zich moeten kunnen begeven op het gebied van (levens)verzekeringen?
“Daar heb ik dan minder moeite mee. That’s all in the game.”
Uitgelekte nota
Ondanks het vurige pleidooi van het Verbond, lijkt het erop dat de verplichtstelling gehandhaafd wordt. PvdA-minister Melkert van Sociale Zaken schijnt het politieke spel te hebben gewonnen van zijn VVD-staatssecretaris Linschoten en minister Zalm (VVD) van Financiën (en diens D66-collega Wijers van Economische Zaken). Een uitgelekte nota van de hand van Melkert en Linschoten duidt althans op het vrijwel volledig overnemen van het één jaar oude Star-advies (Stichting van de Arbeid).
De betreffende nota, die binnenkort aan de Tweede Kamer moet worden voorgelegd, voorziet in een handhaving van de verplichte deelneming en in een versoepelde dispensatieregeling. Maar van die versoepeling hebben de verzekeraars niet zo’n hoge pet op. De inhoud van de nota is Van der Smeede overigens niet bekend.
Stel, de nota blijkt in deze vorm te bestaan, is dat een nederlaag voor het Verbond?
“Nee, waarom? We hebben immers niets verloren. Het zou een handhaving van de status quo betekenen. Ik zou het wel vervelend vinden, maar je krijgt nu eenmaal niet altijd je zin. Het was echter wel de moeite waard om voor te knokken. Want ik weet zeker dat er heel, héél intensief is gediscussieerd over dit onderwerp. En ooit wordt’ie afgeschaft.”
Inconsistent
“Ik vind alleen dat dit nu al zou moeten gebeuren. De verplichte deelneming past niet meer bij het Nederland van 1996, met individuele verantwoordelijkheden en keuzevrijheden. En het past niet in de rest van het overheidsbeleid. De verplichtstelling maakt de invloed van het individu nihil en dat staat haaks op de aanbevelingen van de commissie Witteveen. Maar ja, ik mis wel vaker de nodige consistentie in de pensioenvisie van de overheid.”
Van der Smeede neemt de bedrijfsspaarregelingen als voorbeeld. “Dat vond de overheid een mooi plan. Fiscaal aantrekkelijk bijsparen, het liefst voor een extra pensioenvoorziening, via de werkgever. Maar nu blijkt die regeling mateloos populair en daar zijn ze aan het Binnenhof toch wel van geschrokken. Het gaat de schatkist geld kosten en nu moet het fiscaal toch wat minder aantrekkelijk gemaakt worden.”
“Of de hete discussie van enkele jaren geleden over de pensioenbreuken. Die moesten koste wat het kost opgelost worden. Nu is dat gebeurd en begint het idee te leven dat 70% van het eindloon een te riant en onhaalbaar aanvullend pensioen is. Dat kan wellicht beter 70% van het middelloon worden. Zeventig procent van het middelloon in plaats van het eindloon betekent één grote pensioenbreuk.”
“Een gevolg zou zijn dat werknemers individueel voor extra aanvullingen moeten gaan zorgen. In het kader van de Brede Herwaardering dus meer mogelijkheden voor fiscaal aftrekbare lijfrenten. Maar ik bespeur vanuit de politiek meer en meer geluiden dat men die fiscale lijfrentevoordelen juist wil gaan beteugelen. Dan denk ik, óf men heeft de tegenspraak nog niet in de gaten óf het is een voorbode van een nieuwe Brede Herwaardering. In elk geval moeten we daar als Verbond bovenop zitten.”
Verjaardagsfeestje
Alle kritische kanttekeningen ten spijt is Van der Smeede trots op de bloeiende bedrijfstak levensverzekeringen. Hij wil dan ook duidelijk stellen, dat zijn woorden geen uiting zijn van zorg over de bedrijfstak. Wel moet de sector alert blijven op zijn omgeving.
“Het gaat natuurlijk uitstekend in de bedrijfstak. Het afgelopen jaar is weer zeer goed geweest. En niet alleen voor de maatschappijen, maar zeker ook voor het intermediair. De verkoop- en provisiecijfers van het intermediair zijn fors gegroeid en dat is een goede ontwikkeling.”
Gevraagd naar zijn belangrijkste doel als voorzitter van de sector Leven, komt Van der Smeede dan ook niet met afschaffing van de verplichtstelling of iets dergelijks. “Ik ben trots op deze bedrijfstak en zijn produkten. Wij zijn van essentieel belang voor de Nederlandse economie. Maar helaas loopt ons imago hiermee niet parallel.”
“We zijn er als Verbond nog niet in geslaagd om aan het publiek uit te leggen wat we doen en waarom we dat doen. Mensen zouden op een verjaardagsfeestje tegen elkaar moeten zeggen: ‘Goh, ik heb vorige week toch een mooie levensverzekering gekocht’. Dát ideaal streef ik na.”
Het ideale gesprek op een verjaardagsfeestje volgens René van der Smeede: ‘Goh, ik heb vorige week toch een mooie levensverzekering gekocht’.
René van der Smeede werd op 11 maart 1948 geboren in Den Haag. In de residentie groeide hij op en heeft hij nu ook zijn werk. Na een wetenschappelijke opleiding tot actuaris begon hij zijn carrière in de verzekeringswereld direct bij Aegon. Daar vervulde hij velerlei functies, ondermeer in het buitenland.
In 1988 werd Van der Smeede aangesteld als lid van de directie Aegon Nederland, verantwoordelijk voor alle levensverzekeringsactiviteiten. Sinds een kleine vier jaar is hij ook voorzitter van de sector Levensverzekeringen van het Verbond van Verzekeraars en uit hoofde van die functie tevens lid van het Verbondsbestuur.

Reageer op dit artikel