nieuws

Hoogervorst: wettelijke regeling pensioenindexatie niet nodig

Archief

Er is geen reden meer om de waarde-aanpassing van pensioenuitkeringen wettelijk vast te leggen. Voor vrijwel alle gepensioneerden geldt momenteel dat de indexatie van hun pensioenuitkering goed is geregeld. Dit stelde staatssecretaris Hans Hoogervorst (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) bij de verschijning van de tweede editie van de ‘Pensioenkaart Nederland.’

De Pensioenkaart biedt een overzicht van de stand van zaken van de kwaliteit van de pensioenregelingen. De eerste Pensioenkaart verscheen in 1987, de nu verschenen tweede editie betreft de situatie anno 1999.
Hoogervorst: “Als we de nieuwe kaart naast die van 1987 leggen, zien we op veel punten verbeteringen van betekenis. Duidelijke vooruitgang is er de afgelopen twaalf jaar geboekt met de indexatie van uitkeringen. Die waarde-aanpassing is van groot belang voor een solide pensioenvoorziening. Indexatie blijkt volgens de nieuwe pensioenkaart inmiddels voor vrijwel alle gepensioneerden goed te zijn geregeld. Dat betekent wat mij betreft dat een wettelijke regeling van de pensioenindexatieplicht overbodig is”.
Hoogervorst was ook tevreden over de ontwikkeling van de maximaal haalbare pensioenresultaten. “De meeste werknemers kunnen nu aanspraak maken op meer dan 60% brutopensioen, rekening houdend met 50% AOW en bij een volledige opbouwperiode. En ook voor de nabestaandenpensioenen geldt dat de resultaten sterk zijn verbeterd.”
Beheersbaar
De eventuele negatieve economische effecten van verbeterde pensioenregelingen (met name hogere arbeidskosten) vallen volgens Hoogervorst erg mee. “Het aantal zuivere eindloonregelingen is sterk gedaald ten gunste van middelloonregelingen of beperkte eindloonregelingen. Dat is een ontwikkeling die ik toejuich. En als ik zie dat vooral nieuwe bedrijven kiezen voor middelloon of beperkt eindloon, ligt het voor de hand aan te nemen dat de populariteit van beheersbare regelingen aanhoudt.”
Over de maatschappelijke trends in pensioenregelingen zei Hoogervorst: “De wettelijke bepaling dat er geen direct verschil mag worden gemaakt tussen mannen en vrouwen of tussen voltijders en deeltijders, blijkt te worden nageleefd. Niet echt verbazingwekkend, maar toch prettig om vast te kunnen stellen.”
Hij vindt het ook belangrijk dat het aantal keuzemogelijkheden, zoals voor de uittredingsleeftijd, de afgelopen jaren is toegenomen. “Ook lijkt het nu vaker dan in het verleden mogelijk pensioen op te bouwen tijdens verlof. Daarnaar heeft ook het instituut Research voor Beleid op mijn verzoek een onderzoek ingesteld. Binnenkort kan ik de resultaten van dat onderzoek bekendmaken.”
Toetredingsleeftijd
Een punt waarop de pensioenfondsen volgens Hoogervorst duidelijk beter kunnen scoren, is dat van de toetredingsleeftijd. “Voor minder dan de helft van de deelnemers aan een pensioenregeling geldt geen toetredingsleeftijd. Voor ruim 40% geldt nog steeds een toetredingsleeftijd van 25 jaar. Dat is niet goed. Die leeftijdsgrens pakt vooral voor vrouwen nadelig uit. Dat blijkt uit een recent onderzoek naar de emancipatie-effecten van aanvullende pensioenen. Daar moeten we dus iets aan doen. Het kabinet komt op korte termijn dan ook met voorstellen die de toetreding tot pensioenregelingen gemakkelijker moeten maken.”
Hans Hoogervorst: “Daling eindloonregelingen gunstig voor de economie”.
Dat de maximaal haalbare pensioenresultaten vergeleken met 1987 een stuk hoger liggen, komt vooral door een verlaging van de zogeheten franchise in de loop van deze periode. Dit komt naar voren in het SER-rapport Pensioenkaart 2000.
Toch zal lang niet iedereen daadwerkelijk een hoger pensioen krijgen, doordat tal van werknemers geen volledig pensioen opbouwen. Dat komt doordat niet iedereen de maximale deelnemerstijd haalt, bijvoorbeeld door het werken in deeltijd, door het wisselen van baan of door loopbaanonderbrekingen. De huidige pensioenresultaten sluiten in vergelijking met 1987 wel beter aan bij de situatie van alleenstaanden.
Franchise
Aan de sinds 1987 optredende verlaging van de franchise lijkt de afgelopen drie jaar een einde te zijn gekomen. Bijna de helft van de werknemers heeft nu een franchise boven f 29.000, 39% zit daaronder en 13% heeft geen franchise. Voor de meesten zal in de nabije toekomst geen structurele wijziging van de franchise meer plaatsvinden.
Vergeleken bij 1987 zijn er nu veel meer middelloonregelingen en beperkte eindloonregelingen. De helft van de mensen heeft een beperkte eindloonregeling, een kwart heeft een middelloonregeling, 12% een zuivere eindloonregeling, 10% een combinatieregeling, 1% een beschikbare-premieregeling en 1% een vastebedragenregeling.
Flexibilisering
Veel pensioenregelingen maken het mogelijk voor het 65e jaar met pensioen te gaan (flexibele pensioengerechtigde leeftijd). Andere vormen van flexibilisering en individualisering van pensioenregelingen komen relatief langzaam van de grond. Ongeveer eenderde van de mensen kan het nabestaandenpensioen omzetten in ouderdomspensioen, terwijl het omgekeerde op dit moment voor 10% van de mensen mogelijk is.
Andere verbeteringen
In veel pensioenregelingen worden de rechten op pensioen aangepast aan de inflatie. Ook voor gepensioneerden en slapers zijn veelal gereglementeerde aanpassingen van opgebouwde rechten tot stand gekomen. Tevens hebben verreweg de meeste deelnemers een pensioenregeling zonder beperkende bepalingen ten aanzien van het nabestaandenpensioen van deelnemers die op latere leeftijd aan de pensioenregeling gaan deelnemen. Wanneer een werknemer arbeidsongeschikt of werkloos raakt, is er vrijwel altijd voortzetting van de opbouw van het ouderdomspensioen en de risicodekking van het nabestaandenpensioen, concludeert het rapport.
Pensioenkaart Nederland 2000, uitgave van de SER, ISBN 90-6587-744-4, 244 pagina’s, prijs f 25; te bestellen via tel. 070-349.95.05.

Reageer op dit artikel