nieuws

Eigen beheer wordt nog onaantrekkelijker

Archief

De Hoge Raad heeft onlangs in twee zaken arrest gewezen over de waardering van pensioenverplichtingen en de daarbij te hanteren rekenrente. De uitkomst zal nodeloos complicerend uitwerken. Nadat eerder in de fiscale wetgeving (vennootschaps- en loonbelasting) al onderscheid werd gemaakt tussen verzekeren bij een professionele verzekeraar en eigen beheer, doet nu ook de Hoge Raad nog een duit in het zakje.

door Alfred Lagendijk
De eerste belangwekkende uitspraak van de Hoge Raad dateert van 28 juni van dit jaar. Het geschil betrof de waardering van een pensioenverplichting per 31 december 1992 door een per 1 januari 1992 belastingplichtig geworden pensioen-BV. Het ging in casu om nominale pensioenverplichtingen.
De Hoge Raad heeft beslist dat pensioen- en lijfrenteverplichtingen, evenals andere langlopende verplichtingen, op de winstbepalende balans dienen te worden gewaardeerd tegen de geldende marktrente voor langlopende leningen ten tijde van het aangaan van de verplichting. Bij een daling van de rentestand mogen de verplichtingen dienovereenkomstig hoger worden gewaardeerd en bij een nadien optredende stijging van de rentestand moeten de verplichtingen dienovereenkomstig lager worden gewaardeerd, doch niet lager dan zij oorspronkelijk zijn gewaardeerd.
Tot op heden worden pensioenverplichtingen doorgaans gewaardeerd op basis van een rekenrente van 4%. De Hoge Raad is echter van mening dat de onbepaalbaarheid van de toekomstige rentestand onvoldoende motivering biedt om deze verplichtingen, voor wat betreft de te hanteren rekenrente anders te waarderen dan andere langlopende verplichtingen.
Overgang
Deze ingrijpende wijziging van de zienswijze van de Hoge Raad rechtvaardigt naar zijn mening een overgangsmaatregel. De Hoge Raad heeft daarom bepaald dat de huidige jurisprudentie geldig blijft voor alle pensioen- en lijfrenteverplichtingen die zijn aangegaan of overgenomen vóór 1 september 2000.
De Hoge Raad geeft twee voorbeelden van een toename van de pensioenverplichting die niet worden aangemerkt als een nieuwe verplichting:
a. een toename van de pensioenverplichting door stijging van diensttijd; enb. een toename van de pensioenverplichting door een aanpassing daarvan aan de lonen en prijzen ten gevolge van een beding, gemaakt vóór 1 september 2000.Tweede uitspraak
Een maand later, op 14 juli 2000, deed de Hoge Raad andermaal een belangrijke uitspraak over de waardering van pensioenverplichtingen. Het geschil betrof de hoogte van de waarde van de pensioenverplichting op de openingsbalans van een pensioen BV per 1 januari 1992. De toezegging behelsde mede het recht om de pensioenen na ingang periodiek aan te passen aan de geldontwaarding, indien en voorzover de beleggingsresultaten uitstijgen boven een zeker basisrendement. Deze indexatie wordt door het Hof als een voorwaardelijke open indexatie aangeduid.
Op de openingsbalans moet de waarde in het economisch verkeer van de verplichting worden opgenomen. Deze wenste de belanghebbende te berekenen met inachtneming van een rekenrente van 7%. De inspecteur was van mening dat een rekenrente van 4% moest worden gehanteerd. Hof Den Bosch was het met de inspecteur eens.
Het Hof knoopte voor deze waardering op 4% aan bij de waardebepaling bij overdrachten van pensioenen met een open-indexering – vergelijkbaar met de voorwaardelijk open-indexering van belanghebbendes pensioenverplichting – binnen het zogenaamde SDS-circuit. Binnen dit circuit van ondernemings- en bedrijfspensioenfondsen wordt een rekenrente van 4% gehanteerd. De Hoge Raad vond het oordeel van het Hof van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk.
Commentaar
Het is opmerkelijk en evenzeer verwarrend dat de Hoge Raad binnen drie weken tot op het eerste gezicht zo haaks op elkaar staande beslissingen komt. Immers, als een verplichting bij het aangaan van die verplichting op de marktrente wordt gewaardeerd, dan moet dit logischerwijze leiden tot de waarde in het economische verkeer op dat tijdstip. In het arrest van 28 juni leidt dit tot een te hanteren rekenrente van 7% per 31 december 1992. In het arrest van 14 juli leidt dit tot een rekenrente van 4% per 1 januari 1992.
Naar het ons voorkomt, vloeit het verschil in de te hanteren rentevoet mogelijk voort uit het feit dat het in het arrest van 28 juni 2000 (=marktrente) ging om nominale verplichtingen en in het arrest van 14 juli 2000 (= 4%) om geïndexeerde verplichtingen. Geheel zeker is dit niet, omdat de Hoge Raad zelf geen uitleg geeft voor het verschil in benadering en ook artikel 9a Wet IB 1964 van invloed zou kunnen zijn.
Gevolgen
De meeste pensioenverplichtingen in eigen beheer hebben betrekking op geïndexeerde pensioenen. Als de veronderstelling dat geïndexeerde pensioenen op 4% mogen worden gewaardeerd juist is, dan heeft de beslissing van 28 juni 2000 voor het overgrote deel van de praktijk geen enkel gevolg en mogen deze ook in de toekomst op 4% gewaardeerd worden.
Is dat niet zo, dan ontstaat een bijzonder ingewikkelde berekeningssystematiek bij rentestijgingen. Dat gaat in elk geval op voor nominale pensioenen. Meerdere berekeningen met verschillende rekenrentes zijn dan noodzakelijk.
Overigens zij erop gewezen dat de staatssecretaris van Financiën bij besluit van 21 juli 2000 de door de Hoge Raad gegeven overgangsperiode eindigend op 1 september 2000 heeft verlengd tot 1 januari 2001. Hij komt op korte termijn – naar alle waarschijnlijkheid vóór 1 januari 2001 – met een besluit waarin de uitleg van de Belastingdienst van het arrest van 28 juni 2000 is neergelegd. Naar wij aannemen zal daarin ook worden ingegaan op het arrest van 14 juli 2000 en de relevantie van het al dan niet geïndexeerd zijn van een pensioen- of lijfrenteverplichting.
Verschillen
In het verleden zijn meer verschillen in de wetgeving aangebracht tussen pensioen in eigen beheer en externe verzekering. De verschillen ter herinnering nog eens op een rijtje.
Indexaties die zijn gekoppeld aan loon- en prijsontwikkeling mogen worden opgenomen als verplichtingen bij externe verzekering en niet bij eigen beheer. Per saldo stijgt het fiscaal resultaat. In de loonbelasting wordt bij eigen beheer de hoogte van de eigen bijdrage beperkt tot 50%, dient een hogere franchise in aanmerking te worden genomen, wordt niet opgebouwd over loon in natura en kan een lager overbruggingspensioen worden opgebouwd.
Pensioenen & Verzekeringen van PricewaterhouseCoopers in Amsterdam.

Reageer op dit artikel