nieuws

Eerste branche in financiële sector met wettelijke Permanente Educatie

Archief

Toetsen of niet toetsen? Het onlangs gepubliceerde conceptstandpunt van het College Deskundigheid Financiële Dienstverlening (CDFD) over Permanente Educatie laat verschillende opties open. Het college geeft, na consultatie van diverse partijen in de branche, diverse mogelijke PE-vormen aan.

Hoewel er in de branche sprake is van een wettelijke verplichting tot permanente educatie, is toetsen van de vergaarde kennis volgens het CDFD niet verplicht. “Ik ben zelf ook een tegenstander van de verplichte toets.”, zegt Geert Hendrikx. Hij vertegenwoordigt binnen het CDFD het intermediair. Hendrikx is zelf adviseur en directeur van de E&H Adviesgroep in Venlo. Hij inventariseerde samen met Paul Oostdam van bureau Oostdam & Van den Eijkel de standpunten rond PE in de branche.
Hendrikx: “Het punt is dat elke toets, hoe diepgaand ook, altijd een momentopname is. Je kunt het nooit zo regelen dat je daarmee definitief het kaf van het koren scheidt.” Hendrikx en Oostdam, die een NBVA-verleden gemeen hebben, keken ook naar vergelijkbare regelingen in andere branches en constateerden dat er buiten de Zorg geen branche is waar permanente educatie wettelijk is geregeld.
De verplichting geldt in eerste instantie alleen voor de feitelijk leidinggevenden in kantoren. Andere diplomahouders moeten, om de geldigheid van hun diploma te bewaren, aan PE-verplichtingen voldoen. Medewerkers zonder diploma zijn uiteraard niet verplicht om een traject van permanente educatie te volgen.
Zes vormen
De CDFD onderscheidt zes verschillende vormen van deskundigheidsbevordering.
De PE-toets die wordt afgenomen aan het einde van een PE-periode.
PE-programma’s in de vorm van seminars en bijeenkomsten, die niet met een toets worden afgesloten maar met een certificaat of bewijs van deelname.
Docentschappen en het lidmaatschap van examencommissies.
Publicatie van vakinhoudelijke artikelen.
Collegiaal overleg: intern vaktechnisch kantooroverleg, waarbij feitelijk leiders en klantmedewerkers volgens een vast format casuïstiek bespreken;
Portfolio-analyse: samenstellen van klantendossiers, waaruit blijkt dat een deskundig advies is gegeven.
Cafetariamodel
“Er is sprake van een zogeheten cafetariamodel”, zegt Paul Oostdam. “Je kunt als financiële dienstverlener een toets ondergaan, maar je kunt ook seminars volgen met een certificaat als bewijs. Er zijn hier vele wegen die naar Rome leiden.”
Dat docenten en auteurs van artikelen in het door het CDFD voorgesteld systeem een ‘vrijkaartje’ krijgen, vindt Hendrikx niet vreemd. “Het zou toch gek zijn als je deze mensen, die in de branche als deskundigen gelden, terug moet sturen in de schoolbanken.”
“Bij het hele PE-stelsel wordt een aanzienlijk beroep gedaan op de eigen verantwoordelijkheid van de financiële dienstverlener”, aldus het CDFD. “Ook het zelfonderzoek van de Stichting Financiële Dienstverlening (STFD) kan hierbij een belangrijke rol spelen”, aldus Oostdam. “Die geven natuurlijk ook inzicht in de deskundigheid van een tussenpersoon.”
Rechtszekerheid
Volgens de Autoriteit Financiële Markten staat of valt het hele systeem van Permanente Educatie bij het aantonen van de deskundigheid van de financiële dienstverlener. Namens de AFM is Robert Jan van Loon betrokken bij de ‘gedachtenafwegingen’ rond PE. Hij pleit voor aspecten als controleerbaarheid en rechtszekerheid. “Als je wat PE-vormen betreft alles open laat, wordt het controleren van deskundigheid bij de financiële dienstverlener een heel lastig verhaal”, stelt de toezichthouder. “De vraag is hoe je zaken als deelname aan een teamoverleg moet waarderen.”
Belangrijk is ook de rechtszekerheid, vindt de AFM. “Permanente educatie is in de wet verankerd en daarom moet de financiële dienstverlener er zeker van kunnen zijn dat hij aan de eisen voldoet. Als dat niet het geval is, zou hij namelijk zijn vergunning kunnen kwijtraken. Wat dit betreft, neigen wij meer naar een echte toets. Dan weet de financiële dienstverlener ook waar hij aan toe is.”
NVA en NBVA
Uiteraard heeft het CDFD ook de NVA en NBVA geconsulteerd. De NVA ziet bij de invulling van PE twee hoofdlijnen: de toets als afsluiting van een PE-periode en contactonderwijs waarbij het CDFD richtlijnen afgeeft over vorm en inhoud van het PE-onderwijs. NVA staat negatief tegenover een portfolioanalyse als bewijs van deskundigheid.
De NBVA vindt dat het CDFD richtlijnen moet opstellen waaraan PE zou moeten voldoen. De brancheorganisatie stelt verder dat permanente educatie niet mag leiden tot verdere lastenverzwaring bij de achterban.
Zwemdiploma
Dat is ook duidelijk de insteek van het CDFD geweest, stelt Hendrikx. “Wij willen geen aanzienlijke lastenverzwaring van alle éénpitters onder de kantoren op ons geweten hebben. Met name de kleine generalistisch werkende kantoren zouden namelijk met een sterk opgetuigd PE-systeem in de problemen kunnen komen.”
Het geheel van opleidingseisen heeft het CDFD veel energie gekost. “Wij hebben de laatste maanden 320 diploma’s moeten beoordelen op de mogelijkheid van gelijkstelling. Daar was van alles bij. Het varieerde bij wijze van spreken van een zwemdiploma tot een universitaire opleidingen. Ook buitenlandse diploma’s moesten soms worden beoordeeld.”
Nu het ‘PE-ei’ is gelegd hebben de brancheorganisaties tot 1 april de tijd om te reageren op het concept van de CDFD. Vervolgens zal de organisatie het definitieve standpunt formuleren. Uiteindelijk ligt dan de bal bij het ministerie van Financiën. Alle voorstellen en concepten zijn te bekijken via de website www. cdfd.nl.
hebben.”

Reageer op dit artikel