nieuws

Drabbe: Marktoverleg heeft zwakke broeders wellicht teveel beschut

Archief

Nu in het Nederlandse verzekeringsbedrijf wordt gewezen op de ongebreidelde concurrentie als gevolg van het Brussels verbod op marktoverleg, kan men zich afvragen of dat gewezen marktoverleg met bodemprijzen niet te veel de zwakkere broeders de hand boven het hoofd heeft gehouden en een gezonde markt-uitstroom heeft verhinderd.

Deze opvatting uitte mr H. Drabbe in een lezing tijdens een symposium aan de Erasmus Universiteit over het onderwerp vrije concurrentie in het verzekeringsbedrijf. Drabbe is directeur bij het directoraat-generaal voor mededinging (DG IV) van de Europese Commissie. Het symposium wordt jaarlijks op touw gezet door de Verzekeringskamer, de Universiteit van Amsterdam en de Erasmus Universiteit.
Het zou, aldus Drabbe, interessant zijn om te zien of er een direct verband bestaat tussen het marktoverleg zoals Nederland dit kende en de relatief zeer hoge verzekeraarsdichtheid. “In dit verband dringt de vergelijking met de Britse markt zich op. De verzekeraarsdichtheid is daar globaal de helft van die in Nederland en het toezicht en de verzekeringsmarkt tonen qua openheid, produktvariatie en prijsconcurrentie belangrijke overeenkomsten, maar de solidariteit tussen bedrijven is minder sterk ontwikkeld dan in Nederland”.
Indien de zelfregulering binnen de Nederlandse markt geresulteerd heeft in te veel aanbieders, is het probleem van de ongebreidelde concurrentie veeleer van structurele aard en is het eerder een gevolg van een tekort aan concurrentie dan aan een teveel, concludeerde Drabbe.
Bodemprijzen
Het valt volgens hem op grond van deze redenering moeilijk te beargumenteren dat een oplossing gezocht moet worden in een aanpassing van het mededingingsbeleid, waardoor deze in wezen instabiele en economisch niet efficiënte situatie in feite wordt bestendigd. “Het tijdelijk laten voorschrijven of toetsen van bodemprijzen door juist de mededingingsautoriteiten, zoals wel wordt bepleit, getuigt, vanuit deze optiek, van gevoel voor ironie”.
(De Verzekeringskamer heeft, zoals bekend, in het nabije verleden herhaaldelijk gepleit voor de mogelijkheid om in tijden van overmatige concurrentie tijdelijk wettelijke minimumprijzen op te leggen. – redactie AM)
Het mededingingsbeleid dient volgens hem niet gebruikt te worden om een doelstelling van het toezichtsbeleid te bereiken: het op peil houden van de vereiste solvabiliteit.
Het toezichtsbeleid beperkt per definitie de vrijheid van economisch handelen van de verzekeraar en daarmee de concurrentie tussen verzekeraars. Het mededingingsbeleid daarentegen heeft een tegenovergesteld uitgangspunt: waarborging van de concurrentie tussen verzekeraars. Vandaar ook het spanningsveld tussen mededingings- en toezichtsbeleid waar die twee elkaar in hun effecten raken.
De toezichthouder mag het mededingingsbeleid niet als instrument gebruiken en het omgekeerde dient ook niet te gebeuren. Beide misbruiken leiden volgens Drabbe tot ondoorzichtige vermenging van bevoegdheden.
Vloeken in de kerk
Drabbe: “Vanuit mededingingspolitiek oogpunt gezien, staan prijsafspraken gelijk met vloeken in de kerk. Die worden zelfs niet toegestaan voor de zogenaamde crisiskartels, in het kader van een herstelplan tot reductie van structurele overcapaciteiten. Niets wijst er overigens op dat de situatie op de Nederlandse verzekeringsmarkt dermate ernstig is. Het toelaten van prijsafspraken om kortdurende marktinstabiliteiten te voorkomen of tegen te gaan is dan ook een onevenredige maatregel, te meer waar de mogelijkheden voor een aanpak via het toezichtsbeleid niet uitgeput lijken.”
Oplossingen moeten volgens Drabbe worden gezocht in het toezichtsbeleid. En dan moet zo veel mogelijk worden voorkomen dat dit leidt tot nieuwe verstijving van de markt.
Grenzen van zelfregulering
Drabbe gaf in grote lijnen de grenzen aan van zelfregulering.
De mededinging kan alleen effectief zijn wanneer bedrijven hun commerciële beslissingen zelfstandig nemen. Het staat ondernemingen individueel vrij om hun gedrag aan te passen aan dat van hun concurrenten maar (artikel 85 van) het EG-verdrag verbiedt afspraken en onderling afgestemde gedragingen waardoor concurrenten kunnen worden beïnvloed en betrokken partijen de concurrentievrijheid min of meer wordt ontnomen.
Het mededingingsbeleid van ‘Brussel’ is volgens Drabbe niet gefundeerd op “een streven naar perfecte of zelfs maximale mededinging”. Onder bepaalde voorwaarden kunnen overeenkomsten met een concurrentiebeperkende werking (op grond van art. 85 lid 3) toegelaten worden. Pro- en anti-competitieve elementen mogen gewogen worden, waarbij andere dan zuiver mededingingspolitieke doelstellingen een argument kunnen zijn voor ontheffing van de anti-kartelbepalingen. Het karakter van de verbodsbepalingen brengt wel met zich mee dat de bewijslast in beginsel rust op degene die vraagt om ontheffing.
Lang niet iedereen is het volgens Drabbe met de Europese Commissie eens over de toepassing in de praktijk van het kartelverbod. Over artikel 85 bestaat dan ook een zeer omvangrijke jurisprudentie en het Europees mededingingsrecht heeft een eigen plaats gekregen op universiteiten. De Commissie kan niet zo maar opvattingen van partijen en belanghebbenden waar zij het niet mee eens is, terzijde schuiven maar dient daar, onder controle van het Europese Hof van Justitie, overtuigende argumenten tegenover te stellen. Het beeld hier en daar in Nederland van het EG-mededingingsbeleid “dat het van een eendimensionale rechtlijnigheid is, die geen rekening houdt met de specifieke kenmerken van bepaalde markten of activiteiten”, komt volgens Drabbe niet overeen met de werkelijkheid.
Modelcalculaties
In het liber amicorum voor prof. G. de Wit (zie AM 19, pag. 15 en 17) uiten A. Vermaat en R. Bakker van de Verzekeringskamer in een gezamenlijk artikel het idee om modelcalculaties voor premieberekening in te voeren als een denkbare en zelfs wenselijke vorm van zelfregulering. De beschreven voorbeeldberekeningen betreffen standaardprodukten en moeten gebaseerd zijn op gezonde actuariële en bedrijfseconomische grondslagen.
Het samen opstellen van statistieken en calculatieschema’s beschouwt ‘Brussel’ niet als concurrentiebeperkend, zegt Drabbe. Overeenkomsten om inlichtingen te verzamelen, zijn toegestaan. Beperking van de handelingsvrijheid en coördinatie van het marktgedrag mogen niet. Dit laatste is het geval wanneer concrete aanbevelingen worden gedaan of conclusies zo worden uitgewerkt dat (een deel van de) betrokken ondernemingen zich op uniforme wijze gaan gedragen. Calculaties met bepaalde percentages worden als aanbevelingen beschouwd en kunnen in strijd komen met de anti-kartel-bepalingen. Indien de calculatiemodellen verder gaan dan modelberekeningen voor de netto premie, vallen ze niet onder de groepsvrijstelling. Ze mogen niet meer zijn dan louter berekeningstechnieken zonder cijfermatige invulling.
Minimumpremie
Drabbe: “De Europese mededingingsregels staan precies niet toe datgene, waarvoor in Nederland al geruime tijd wordt gepleit: een spiegel die de markt zichzelf voorhoudt, in de vorm van een minimumpremie per type standaardprodukt waaronder men niet kan gaan zonder de continuïteit van het eigen bedrijf of de continuïteit van andere bedrijven in gevaar te brengen. Het is de bedoeling dat een dergelijke spiegel een bodem in de markt legt. Dat zal dan ook onvermijdelijk gebeuren, al is het alleen maar omdat het goedkoper is om je op die prijs te richten dan om een actuaris aan het werk te houden”.
Het in dit verband te bepalen juiste prijsniveau zal volgens Drabbe dan welhaast onvermijdelijk moeten worden afgestemd op het niveau van de minst competitieve ondernemingen, om het beoogde doel te bereiken: het voorkomen van financiële ongelukken. Zo’n eventueel tijdelijke prijsbodem lijkt hem ook niet in het belang-op-langere-termijn van de consument.
“Nu kan men wel aan de mededingingsautoriteiten vragen om een oogje in het zeil te houden, maar het is zeer de vraag of die daartoe in staat zijn. Hoe moet immers een mededingingsautoriteit bepalen wat, uit prudentieel oogpunt gezien, een verantwoord prijsniveau is? Of heeft deze autoriteit de taak om te bepalen voor welke verzekeraars het doek moet vallen? Het lijkt mij juister de beide verantwoordelijkheden gescheiden te houden”.
De conclusie van Drabbe: “Modelcalculaties die de markt een spiegel willen voorhouden via andere grondslagen dan die welke dienen tot berekening van de risicopremie, zijn onder artikel 85 verboden”.
Wat betreft ontheffing van het verbod op dit soort modelcalculaties biedt de jurisprudentie van het Europees Hof nog geen duidelijk richtsnoer.
Mogelijkheden voor toezichthouder
Een en ander laat op zich de mogelijkheden binnen het mededingingsrecht voor de toezichthouder onverlet om rechtstreeks bindende maatregelen voor te schrijven uit hoofde van zijn verantwoordelijkheden. “Maar dan praten we niet over het aanmoedigen of goedkeuren van marktovereenkomsten”.
Bij een verscherpte concurrentie wordt een groter beroep gedaan op het verantwoordelijkheidsgevoel van de ondernemingsleiding en op de kwaliteit van het management, betoogde Drabbe. Het ligt volgens hem voor de hand dat de toezichthouder eerst eens beziet, welke mogelijkheden het toezichtsinstrumentarium biedt alvorens hij stappen overweegt om de concurrentie te beperken.
Door de derde richtlijnen kunnen eisen gesteld worden aan het management en aan de eigenaren. De zogenaamde BCCI-richtlijn introduceert een verantwoordingsplicht van de externe accountant aan de toezichthouder indien deze zaken gewaar wordt die de financiële integriteit van de onderneming aantasten.
In Engeland heeft de bedrijfsactuaris een soortgelijke verplichting en in Duitsland wordt deze ingevoerd. “Daar waar het management zich bewust is van zijn verantwoordelijkheden jegens zijn verzekeringnemers, bemoeilijkt deze verplichting een normale bedrijfsvoering niet. Waar dat verantwoordelijkheidsbesef niet aanwezig is, beschikt de toezichthouder in feite over een voorpost binnen de betrokken onderneming, waardoor eventuele problemen in een vroeg stadium kunnen worden opgespoord”.
Drabbe: “Het laten voorschrijven of toetsen van bodemprijzen door juist de mededingingsautoriteit, getuigt van gevoel voor ironie”.

Reageer op dit artikel