nieuws

De reserve assurantie eigen risico is niet meer

Archief

Enige tijd geleden heeft het ministerie van Financiën het ondernemerspakket 21e eeuw gelanceerd. Onderdeel van dit pakket is de afschaffing van de Reserve Assurantie Eigen Risico (Raer) per 1 januari 2000. Hoe nu de opgebouwde reserves af te bouwen? Welke alternatieven zijn er? En wat is de laatste ontwikkeling?

Erik Bouwman en René van Ede
De Raer is in het leven geroepen als fiscale faciliteit voor ondernemers die risico’s in eigen beheer hielden. De faciliteit bood de mogelijkheid om de bespaarde bruto verzekeringspremies (inclusief 7% assurantiebelasting) te reserveren ten laste van de winst. De essentie van de regeling was een mogelijkheid te bieden tot egalisering van het effect van een eventuele schadelast.
Als randvoorwaarde voor reservering werd gesteld dat branchegenoten dit risico in belangrijke mate (zijnde ten minste 30% van de branche) plegen te verzekeren. Dit om te voorkomen dat ondernemers reserveringen zouden vormen voor exotische risico’s die normaliter niet worden verzekerd. Het is echter deze eis die de regeling moeilijk werkbaar heeft gemaakt.
De bewijslast dat aan deze voorwaarde is voldaan, lag bij de belastingplichtige. De praktijk heeft geleerd dat het zeer moeilijk was om dergelijke informatie – van concurrenten – te bemachtigen. Vaak bestond de enige informatiebron uit de door de Fiod hierover gepubliceerde rapporten, wat de uitvoering van de faciliteit afhankelijk maakte van de door de Fiod gevoerde onderzoeken.
Plafond
De commissie Oort-II heeft in het verleden de Raer reeds ter discussie gesteld. Bij de doorvoering van de wijzigingen voor het belastingstelsel 21e eeuw is de afschaffing een feit geworden. Volgens het ministerie van Financiën was de regeling conflictgevoelig, wat met name tot uitdrukking kwam door het aantal discussies op het punt van in belangrijke mate verzekeren door gelijksoortige ondernemingen.
Daarnaast werd het als ongewenst gezien dat de reservering geen plafond kende. Indien er door de jaren heen weinig schades werden geleden, kon de reservering zodanige vormen aannemen dat deze de waarde van het verzekerde object overschreed.
Afbouw
Dotaties aan de Raer zijn nog toegestaan tot ultimo 1999. In geval van een gebroken boekjaar kan nog een pro rata deel worden gedoteerd voor het tijdvak gelegen tussen het begin van het boekjaar en de datum van inwerkingtreding van de wetswijziging, te weten 1 januari 2000.
De overgangsbepaling in de nieuwe wet voorziet in een geleidelijke afvloeiing van de Raer. In deze overgangsregeling is bepaald dat de reservering in maximaal tien jaar dient te worden afgeboekt.
Een geleidelijke beëindiging van de bestaande reserve wordt in de eerste plaats bereikt door ‘natuurlijk verloop’, dat wil zeggen door het afboeken van geleden schades. Afhankelijk van het schadeverloop kan deze beëindiging echter langer duren dan de gestelde tien jaar. Dit speelt te meer als de reserve de waarde van het ‘verzekerde’ object heeft overschreden. Om dit te voorkomen, is bepaald dat het bedrag van de reservering per ultimo 1999 voor ten minste 10% per jaar dient vrij te vallen. Het nadeel van een fictieve vrijval is dat dit leidt tot een belaste afname van de reserve.
Deze 10% is uitsluitend een ondergrens. Indien de schade in een bepaald jaar de ondergrens van 10% te boven gaat, dient de gehele schade van de reserve te worden afgeboekt. Het afboeken van een schade die qua omvang de ondergrens overstijgt, laat de minimum vrijval voor toekomstige jaren onverlet. Daardoor kunnen substantiële schades ertoe leiden dat de Raer voor het einde van de afbouwperiode van tien jaar reeds is afgeboekt.
Verzekeren
De afschaffing van de Raer kan een reden zijn om over te gaan tot het verzekeren van de risico’s waarvoor de reserve is gevormd. In de tot voor kort bestaande regeling leidde het extern verzekeren van het desbetreffende risico tot een directe vrijval van de volledige reservering. In het kader van de afschaffing van de Raer wordt aan dit nadelige effect tegemoetgekomen.
Ingeval risico’s waarvoor de reserve is opgebouwd na 1 januari 2000 verzekerd gaan worden, kan de onmiddellijke vrijval van de Raer uit hoofde van die verzekering achterwege blijven. De reserve wordt in dergelijke situaties afgewikkeld door de desbetreffende verzekeringspremies ten laste van de reserve te brengen. Ook hier geldt dat de reserve in maximaal tien jaar dient vrij te vallen, zodat afhankelijk van de hoogte van de betaalde premie jaarlijks een fictieve vrijval kan plaatsvinden.
Het spreekt voor zich dat er ook mengvormen van het bovenstaande kunnen worden gecreëerd. Het verzekeren kan bijvoorbeeld worden gelimiteerd tot ‘nieuwe’ risico’s, waarbij risico’s die verband houden met oude jaren in eigen beheer blijven. In dat geval zal de reserve in eerste instantie afnemen door afboeking van verschuldigde verzekeringspremies. Daarnaast zal een eventuele schade die in de eigen-risicosfeer ligt, moeten worden afgeboekt. Tot slot geldt uiteraard ook bij dergelijke mengvormen dat jaarlijks minimaal 10% van de oorspronkelijke reserve vrijvalt.
Ontwikkeling
In de praktijk na 1 januari 2000 is gebleken dat diverse punten tot interpretatieverschillen van de overgangsregeling leiden. Op 4 juli is daarom een besluit gepubliceerd, waarin het ministerie van Financiën onder meer uitleg geeft over de problematiek van vooruitbetaalde premies en tevens ingaat op de vrijval bij vervanging van bedrijfsmiddelen.
In de praktijk wordt inmiddels koortsachtig gewerkt aan alternatieven voor de Raer. Door verzekeraars worden alternatieven aangeboden, die in de meeste gevallen uitgaan van de vervanging van de Raer door een externe verzekering (al dan niet met gebruikmaking van captives). Het voordeel van extern verzekeren is onder andere gelegen in het feit dat dan een onbelaste vrijval van de Raer kan plaatsvinden.
De praktijk zal leren hoe ondernemingen omgaan met de vrijval van de Raer. Maar een ding is zeker: niets doen leidt tot belastingbetaling.
PricewaterhouseCoopers in respectievelijk Utrecht en Rotterdam.

Reageer op dit artikel